Recensie

A punt Moonen, een schrijversleven

Door Guus Bauer, geplaatst op 29 december 2016

Opmaak 1
‘Wie schrijft, die blijft.’ Door de hapklare-brokkencultuur, de digitale versnelling, is dat steeds meer een achterhaalde uitdrukking. Ook de groten uit de (wereld)canon vinden nog maar met de grootste moeite de weg naar vooral nieuwe lezers. Eenmaal dood is het nu eenmaal lastig meedraaien in het huidige promotiecircus. De vergetelheid ligt voor elke schrijver op de loer. Uitgevers zijn de laatste jaren drukdoende met herontdekkingen, weten die soms alsnog te hypen. Waarschijnlijk toch vooral onder het bestaande bestand van lezers op leeftijd. Een bijkomend voordeel kan zijn dat het auteursrecht reeds is verlopen.

Secundaire literatuur kan de interesse in een auteur levend houden, aanwakkeren. Een goede biografie maakt nieuwsgierig. Bel ik u wakker, beste man? van Wim Sanders, met als ondertitel het monisch-manische schrijversbestaan van A. Moonen, is een geslaagde aanzet om de totaal vergeten schrijver Arie Wilhelmus Pieter Moonen (1937 – 2007) recht te doen.

A punt Moonen was een zonderling, een man zonder enige (seksuele) remmingen, een zuiger, een irritante doordrammer, een foute grappenmaker, iemand die, mede door zijn sterke geluidsneurose, van psychose tot psychose leefde. Maar deze biografische schets laat zien – en dat is een grote verdienste, in de beperking toont zich de meester – dat het wel degelijk de moeite loont om Moonen als mens en als schrijver serieus te nemen. Om niet alleen te focussen op zijn ‘vrolijke’ waanzin. Moonen werd meermaals gedwongen opgenomen, maar wist ook vaak zelf wanneer het te gek werd. Evengoed was hij niet ‘mal’. Hij is meermaals vergeleken met Jan Arends vanwege de aanwezigheid van zijn gekte in zijn literaire werk. En vanwege zijn eenzame kamerbewoning met Frans Pointl.

Moonen was een gehavende man, maar niet echt – althans in de eerste decennia van zijn schrijverschap en van zijn leven – een mistroostig type, geen misantroop zoals Pointl. Zijn wanhoop ketende hij met zijn taal, met zijn vele taalvondsten ook. Moonen werd vaak gezien als een epigoon in het kwadraat van Reve. Ten onrechte, want Moonen was een originele stilist. En daarbij onvergelijkbaar eerlijk. Hij (her)kende geen taboes, schreef niet over zijn dagelijkse seksbeslommeringen voor het effect. De geilheid was echt, de haat was echt. Maar het werd gefundeerd in het, bij tijd en wijlen behoorlijk verwrongen, wereldbeeld. Dat maakt het intrigerend.

Ja, er wordt vaak gezegd dat wanneer men zich niet in de verhaallijn kan vinden, wanneer het eigenlijk ‘nergens over gaat’, dat men dan maar zegt dat de schrijver een bijzonder stem heeft. Het is juist zaak om door het dagelijkse gedoetje heen te kijken en de oprechte emoties te proeven. Je kunt over alles schrijven, zelfs eindeloos over de anale variant, wanneer het maar origineel, met kracht, met verve geschiedt. De mens Moonen had dezelfde taal, dezelfde streken, als de verteller in zijn boeken. Het is het laconiek wakker schudden van de lezer, met de zweep van de vaak gore realiteit, dat wel. De eenling die vertoornd is op het kolderiek-zieke ‘dorpstafereel’ om hem heen.

Zijn debuut Stadsgerechten uit 1978 is grimmig, vol zwarte humor, compromisloos in combinatie met een enigszins deftige, zeer aanstekelijke stijl. Een man bij een hospita in een Haagse hoerenbuurt, die geen onderscheid maakt tussen de seksen, die bijna dagelijks onverholen experimenteert. Moonen werd binnen de kortste keren – in een tijd waarin de literatuur nog afstandelijkheid predikte – tot een van de spraakmakendste schrijvers van dat decennium. Zijn optredens, zijn interviews waren legendarisch. Geen middenweg voor Moonen. Bewonderaars en tegenstanders waren beiden even fel. Het heeft nooit geleid tot een enorm lezerspubliek, bij geen van zijn pakweg twaalf boeken. Moonen was consequent met betrekking tot zijn idioom. Identificatie met deze ‘smeerkees’ was ondanks de fijnbijtende humor van Moonen niet echt mogelijk. Hardcore? Schunnig? Het zal wel, maar Moonen kon wel hele fijne ‘deuntjes’ zingen. Nooit iemand intenser de aanloop naar een opname en het verblijf in een inrichting zien beschrijven bijvoorbeeld.

Zelfs in zijn manische-depressiviteit verloor hij zijn (praktijk)humor niet. Onder veel belangstelling van het publiek was eenmaal tijdens zijn Amsterdamse jaren een ambulance voorgereden om A punt op te halen. Moonen was wat bang om in te stappen, of wendde dit voor, en zei tegen de aanwezige Theodor Holman dat die maar eerst achterin moest stappen. Vervolgens gooide A punt de deur dicht en verkondigde luid dat de columnist Theodor Holman snel weggebracht moest worden omdat hij aan een ernstige geestesziekte leed.

Voormalig Parooljournalist Wim Sanders is de aangewezen persoon om de eerste aanzet te geven tot een Moonenrevival. Ruim twintig jaar was hij met hem in contact, veelal via ellenlange telefoongesprekken, monologen eerder van de kant van A punt. Sanders verknoeit geen tijd met jeugd-biografische gegevens. Hij voert een klipklare tijdlijn van Moonen zelf op, van geboorte tot en met 1973. Alleen al die twaalf pagina’s rechtvaardigt de aanschaf van Bel ik u wakker, beste man? nee, maakt het noodzakelijk. Sanders heeft een fijne licht-ironische stijl die aansluit bij de vertelsels, de anekdotiek en de heldere analyses. Moonen staat in Bel ik u wakker, beste man? zelf op het podium.

Het is gemakkelijk de gek in de mens te ridiculiseren, maar het zijn kwetsbare lui die je juist heel serieus moet nemen, ondanks hun vaak verwrongen wereldbeeld. Moonen was geen slecht mens. Hij was, in tegenstelling tot wat velen dachten, geen drinker, eerder een geheelonthouder. Hij kende geen grenzen en was daar zelf het grootste slachtoffer van.

Moonen rust sinds januari 2007 – herdenking! – naamloos in een ‘massagraf’ op de begraafplaats Crooswijk in zijn geboortestad Rotterdam. Op de bovenste steen staat de naam van een vrouw, de twee andere stenen zijn blanco. Volgens het register liggen er nog twee mannen in het graf. Het zou, zoals in Bel ik u wakker, beste man? wordt gesuggereerd, heel toepasselijk zijn wanneer Moonen als smakelijk beleg van een sandwich in het midden zou liggen. De begraafplaatsbeheerder brengt poëtisch uitsluitsel: ‘Mijnheer Moonen heeft de onderste steen, want hij ligt in het bovenste graf. De onderste steen ligt altijd boven.’ A punt zou er een kostelijke grap van hebben gemaakt.