Recensie

Doodgewoon Oote

Door Peter van den Broek, geplaatst op 6 november 2016

ode aan oote
Het gedicht Oote werd voor het eerst gepubliceerd in 1952 in het tijdschrift Roeping. De publicatie leidde direct al tot Kamervragen. Een VVD senator vroeg zich af, of een tijdschrift met dergelijke uitingen van decadentie wel subsidie verdiende. De minister antwoordde, dat “hoewel hij moest toegeven dat er verzen waren die hem esthetisch meer aanspraken” hij toch op grond van adviezen eventueel zou blijven subsidiëren.

Kamerleden die van streek raakten van het gedicht Oote
Het was 1952, van vernieuwing in de kunsten kreeg men het al gauw benauwd. Ikzelf was in dat jaar een kleuter en ik herinner me dat in de week vóór Pasen zuster Veronica, een non met een nauw langs het gezicht sluitende kap, de gordijnen van de kleuterklas tot op een kier na sloot, om aldus in gepaste sfeer de kids het lijdensverhaal van Christus te vertellen.
Het was kortom een tijd waarin datgene wat de Vijftigers en ook Cobra bezighield voor wat toen een zogenaamd “normaal” mens was niet te vatten was.

Hans Renders wijdt in de aan Oote gewijde aflevering van het tijdschrift Uitgelezen Boeken een lang artikel aan de geschiedenis van het gedicht. Hanlo hoorde niet bij de vijftigers, hij wilde nergens bij horen, niettemin wilde hij Oote liefst wel in een tijdschrift van de Experimentelen publiceren. Voor- en tegenstanders verschilden heftig van mening. Rodenko zag Hanlo als dichter sowieso niet zitten, Elburg maakte een parodie op het werk en Vinkenoog, die bij mijn weten niets van enige betekenis heeft nagelaten, komt naar voren als de grootste intrigant. “Jij bent net niet een der onzen”, meldde hij de dichter persoonlijk, terwijl hij in brieven aan Walraven en Claus noteerde Hanlo niet de moeite waard te vinden en hem als provinciaal wegzette. Gomperts en Campert daarentegen lieten zich positief uit over Oote.

Of Oote wel een gedicht was en of Jan Hanlo wel de schrijver ervan was, of dat het eigenlijk moest worden toegeschreven aan zijn vader, of mogelijk zelfs aan zijn grootvader, al deze kwesties worden door Renders op boeiende wijze behandeld.
Hanlo zelf leverde in In een gewoon rijtuig (verzameld proza tot 1965) kort commentaar. Een commentaar, dat hij eindigde met: “Vraag me niet wat het is. Want het is doodgewoon Oote. Oote oote boe etc.”

Toch valt er meer over te zeggen. In Ode aan Oote wordt dat gedaan in een tweetal bijdragen, door Harrie van Haaster, die uitlegt waarom hij Oote een jazzgedicht vindt en door Justin Binek, die in Jazz Music, Poetry and Hanlo’s Oote: A compositional journey verrast met een heel bijzondere en terdege onderbouwde interpretatie ven Oote.

Uiteindelijk is alles goed gekomen met Oote. Minder dan tien jaar nadat het voor het eerst was gepubliceerd werd het besproken in het literatuurboek Lodewick voor scholieren. Veel aandacht werd er niet aan besteed, maar als ik nu wat om me heen vraag en de naam Hanlo noem, begint bijna iedereen toch wel met: Oote Oote boe.

Tijdschrift Uitgelezen boeken wordt uitgegeven door De Buitenkant.