Recensie

En de grote rodekolen en de rode kroten rooien | Jan Hanlo’s moedertaal

Marinus Elling, geplaatst op 17 oktober 2013

45_hanlo

Ondanks het wat brutale uiterlijk is Wiel Kusters’ exploratie van de taal van de dichter Jan Hanlo dat uitkwam bij Huis Clos een subtiel boekje. Jan Hanlo’s moedertaal is de ondertitel. Moedertaal staat in het algemeen voor de taal van je eerste omgeving, je thuis, je vader zowel als je moeder, de taal waarin je praten hebt geleerd en waar je niet meer onderuit kunt. Er zijn tweetalige mensen, die in twee talen praten hebben geleerd. Vaak is er in dit geval een taal van de moeder en een van de vader. Hebben die tweetaligen twee moedertalen? Is er bij hen verschil in de beleving van hun twee talen, verschil in gebruik? Heeft een van de twee voorrang?

Kusters zoekt geen antwoord op dit soort vragen. Vader- of moedertaal zijn bij hem, op het voetspoor van Lacan, niet de taal van de vader of de moeder maar aspecten van de taal: moedertaal staat voor het sensuele, spontane, concrete; vadertaal voor het grammaticale, logische, abstracte. Het zal duidelijk zijn dat geen van beiden, tot zijn uiterste gedreven, kan functioneren: geen van beiden zou meer taal zijn. Elke taalgebruiker, ook de dichter, beweegt zich tussen beide polen.

In de ‘taal’ van de vogels, waar Hanlo zo’n belangstelling voor had – in ‘s Morgens fluit hij de St Louis Blues samen met een vroege lijster – is nog geen grammatica of semantiek ontdekt. Het is dus pure moedertaal (hoewel bij de vogels in het algemeen alleen het mannetje zingt). Dit is, kort en dus ongenuanceerd gezegd, Kusters’ theorie.
Ik vind het een aantrekkelijke theorie, Speciaal Jossie werd op deze manier gelezen voor mij een nieuwe zang, de zang van een heel menselijke vogel, gelukkig nog net aan deze zijde van de verstaanbaarheid. Dat natuurlijk omdat deze vogel mensenwoorden zingt: lief, klein, ziel, weet, ken, goed, oud, jong enz. En zelfs iets van een herkenbare grammatica hanteert: weet soms niet, weet niet goed.

Deze zang is niet te vertalen maar we hebben toch meer idee waar het over gaat dan
bij het horen van een lijster of een nachtegaal waarvan de gelovigen zeggen dat ze Gods lof verkondigen en ornithologen ons wijsmaken dat ze voornamelijk mededingers van hun terrein af schelden. Jossie gaat over een ik en Jossie, oud en jong, kennen en vermoeden, er klinkt iets als een afgehouden tragiek. ‘Weet niet soms ziel grap ziel.’
De laatste regel – ‘Papier ziel’ – stuurt de vogel weg, geeft de poging tot contact op en voert de menselijke dichter terug naar zijn eenzaamheid. De subtiliteit van het gedicht zit in het balanceren op de grens van de taal, op de grens van communicatie en expressie.

Hanlo’s waarschijnlijk bekendste gedicht, Oote, is over die grens heen. Het werd indertijd beschouwd als een experiment met poezie pure. Voor Kusters vertegenwoordigt het ‘de meest extreme vorm van moeder-taal’. Ondanks Kusters’ interessante bespreking blijft dit ‘klankgedicht’ voor mij moeilijk te genieten. Moedertaal is, met haar muzikaliteit, haar sensualiteit toch taal. Oote is de taal voorbij. Het zou een gedicht van pure klank zijn. Maar het schriftbeeld wordt niet zomaar klank: hoe klinken hoofdletters – A tegenover een a? Oo naast oo? Hoe verklank je ‘etc.’, of is dat alleen maar een aanwijzing; maar hoe die dan te realiseren? (Misschien ben ik nu teveel meester
Pennewip?) En dan blijkt – verrassing – dit moedertaligste van alle gedichten ook nog van zeer vaderlijken huize te zijn.

Maar Wiel Kusters zit niet voor één gat gevangen. Volg het spoor van zijn overwegingen en laat je meevoeren diep Jan Hanlo’s wereld in, een wereld van vaderlijke moeders en moederlijke vaders en de zoon verdwaald daartussen. En van de poëzie die daarvan komt.

Titel: En de grote rodekolen en de rode kroten rooien | Jan Hanlo’s moedertaal
Auteur: Wiel Kusters
Uitgever: Huis Clos