Recensie

Het gaat om heel eenvoudige dingen

Door Jan Dietvorst, geplaatst op 2 augustus 2018


Pas 30 jaar was Jean Leering toen hij in 1963 tot directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven werd benoemd. Tijdens zijn studie bouwkunde aan de TU Delft maakte hij al twee tentoonstellingen die tot ver buiten dit vakgebied, onder andere in de wereld van de beeldende kunst, werden opgemerkt. Met zijn uitgesproken artistieke belangstelling en tekenvaardigheid kwam hij vanwege vaderlijke scepsis met betrekking tot de kunstenaarsprofessie op de TU terecht. Leering zag het niet als een beperking. Het was een omgeving waarin hij – niet in de laatste plaats door zelfstudie – aan zijn idee over het samengaan van de kunsten ter verhoging van de kwaliteit van samenleven kon werken.

De tentoonstelling Autonoom Bouwen die hij in 1962 in Museum Prinsenhof in Delft maakte met de andere twee leden van de Bouwkundige Studiekring,  Pjotr Gonggrijp en Michiel Polak, gaf veel ruimte aan de ideeën van Theo van Doesburg, die met geestverwanten als Tatlin, Moholy Nagy en El Lissitsky voor Jean Leering een levenslang voorbeeld was. Alle vier probeerden zij in hun beeldende en theoretische werk de modernistische abstractie tot zowel een beeldend als een zingevend beginsel in de samenleving aan de gang te krijgen. Biograaf Paul Kempers schrijft in zijn boek Het gaat om heel eenvoudige dingen / Jean Leering en de kunst over Leerings favoriete kunstenaars: ‘ Ze sterkten Leerings opvatting dat de kunstervaring een interactief proces was, waarin het beeldvormingsvermogen werd gestimuleerd; een vorm van visuele bewustwording die een ‘act van betekenisgeving’ uitlokte, met doorwerking in het maatschappelijk bereik. ‘Beeldvormingsvermogen’ was onnavolgbaar leeringnees voor de idee dat je door kunst kijken méér mens werd – mens in de meest humanistisch-handelende zin van het woord.’

Leerings levenslange obsessie met de ‘functie van kunst’ was ook al tot uitdrukking gekomen in zijn eerste tentoonstelling in het Prinsenhof in 1958, Nieuwe Religieuze Kunst, waarin 180 werken van o.a. Matisse, Le Corbusier, Nolde, Picasso, Barlach en Couzijn waren te zien, maar waarvan ook een symposium met internationale sprekers een belangrijk onderdeel was. De plaats van de kunst in de samenleving moest met andere woorden niet alleen worden vertoond maar ook met allerlei mogelijke betrokkenen worden bediscussieerd, besproken en ‘geëvalueerd’. Kempers vraagt zich terecht af of deze vorm van ‘inclusief’ denken en beleid een resultante was van de tijdgeest die werd gekenmerkt door begrippen als emancipatie, participatie, gelijkheid en (internationale) solidariteit.  De wijze waarop Kempers de actievoerders voor onder andere dierenrechten, (arbeiders)zelfbestuur, ant-psychiatrie en maoïsme beschrijft is soms tendentieus – zo’n meewarige en badinerende visie op geschiedenis is  onwetenschappelijk – maar over de vermeende aanraking door de tijdgeest spreekt zijn jarenlange medestander, ontwerper Jan van Toorn, het verlossende woord:  ‘ Ik heb altijd gevonden dat zijn zoeken naar maatschappelijk oriëntatie voor het Van Abbe Museum méér was dan een modieus meebewegen met progressieve tijden’.

Leering’s gang door de instituten en instituties geeft Van Toorn gelijk; tot het einde van zijn leven bleef hij zijn ideaal van ‘maatschappelijke relevantie’ trouw. Die gang – Leerings ideaal in de praktijk – is de leidraad van Paul Kempers’ boek. Zijn benoeming tot directeur van het van Abbe – op voorspraak van o.a. Stedelijk Museum directeur Edy de Wilde – was verrassend, zijn vertrek na tien jaar directoraat verliep regelrecht stormachtig. De Eindhovense politiek vermoedde in zijn emancipatoir en ‘inclusief’ programma een partijdig activisme. Vakgenoten – kunstenaars, collega’s uit de museumwereld – vreesden met zijn instrumenteel gebruik van kunstwerken voor verlies van autonomie door zijn beoordeling van werk op basis van ideologie in plaats van intrinsieke artistieke kenmerken. Van Jan Dibbets, iemand die voortdurend met zijn plaats in de canon bezig is, klinkt die kritiek weliswaar verdacht, maar naast de zijne zijn er diverse meer toonaangevende critici in hetzelfde register in het boek opgenomen.

Kempers suggereert dat die tegenspraak ook in Leering zelf aanwezig was. Hij doet dat naar aanleiding van Leerings laatste tentoonstelling in het van Abbemuseum in 1973, een overzicht van het werk van Bruce Nauman. Leering kon Naumans nieuwste werk vanwege het vervreemdende en soms psychopathologische karakter geen plaats geven in zijn humanistisch project, maar in een ‘verantwoording’ in de catalogus stelt hij desondanks dat deze vorm van ‘individuele creativiteit’ in de openbaarheid van het museum ter beoordeling moet kunnen zijn. De museumdirecteur kon niets met de lege zaal waarin Naumans stem klonk: Get out of my mind. Get out of this room. De man met de missie zag zich als het ware geconfronteerd met scheppend nihilisme en existentiële angst.

Leerings overstap naar het Tropenmuseum was voor velen opmerkelijk en onverwacht. Gedurende zijn slechts twee jaar durende directoraat ging hij voorbij aan de academische opvatting van etnografie en de voorzichtige pogingen van volkenkundige collecties om hun postkoloniale rol te herdefiniëren.  Hij zag mogelijkheden tot het ‘verbreden van de context’, voor hem was omgang met de etnografie onder andere een reden om ook naar onszelf en ons wereldbeeld te kijken. Maar andermaal bracht zijn onderzoekende en kritische aanpak hem in conflict met vakgenoten en politiek, hij hield het na twee jaar bij het Tropenmuseum voor gezien – in feite had hij een professionele carrière van slechts twaalf jaar – en nog was hij niet uitgepraat.

Zijn critici uit de kunst- en museumwereld – o.a. Fuchs, De Wilde, Struycken, Dekkers, Beeren, Volten  – waren nog niet van hem af. Als voorzitter van de Amsterdamse Kunstraad adviseerde Leering de overheid om ‘De Wildes beleid te toetsen op het sociaal-culturele gehalte’. Hij adviseerde de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, en trad tot veler ergernis toe tot de Adviesgroep Beeldende Kunst van de Rijksbouwmeester.

Henk van Os noemt Jean Leerings missie ‘tragisch’. In de biografie zegt hij: ‘Het had iets wereldvreemds. Hij had niet door dat het directeurschap ook diplomatieke gaven vergt en dat er een eind is aan wat je met het museum kunt doen als instrument voor verheffing, vorming, participatie, hoe prijzenswaardig dat streven ook is.’

In 1968 was Leering betrokken bij Documenta, tot op vandaag onmiskenbaar de belangrijkste tentoonstelling voor hedendaagse kunst die er wereldwijd is. In een documentaire* van Jef Cornelis over de totstandkoming expliciteert Leering op een indrukwekkende manier de keuzen die zijn gemaakt. Hij doet dat met grote kennis van zaken maar evengoed eenvoudig, vanzelfsprekend en vindingrijk; hier is een groot communicator aan het woord. Een blik op de aankopen uit zijn directoraat geeft bovendien blijk van een goed gevoel voor (autonome) artistieke kwaliteit. Paul Kempers boek doet in veel opzichten recht aan deze initiator, animator, curator en publieke intellectueel.

Ondanks Van Os’ kwalificatie van Leerings inspanningen als ‘tragisch’, is Het gaat om heel eenvoudige dingen een pleidooi om over zijn gedachtengoed na te denken.  In onze tijd lijken kunst en kunstbeleid verworden tot een neoliberaal en kapitalistisch project. De zogenaamde discussies beperken zich navenant tot de rol van de actoren in een financieel en economisch krachtenveld. Publieke waardering valt samen met bezoekersaantallen en de dynamiek van ‘top tiens’. Dat alles steekt bleek af bij de inhoudelijke kwesties die iemand als Jean Leering agendeerde. Opmerkelijk genoeg is het Van Abbemuseum onder leiding van Charles Esche een van de weinige plaatsen waar de noodzaak van cultuurkritiek wordt ingezien en vormgegeven.

Het gaat om heel eenvoudige dingen / Jean Leering en de kunst / Paul Kempers. Een uitgave van Valiz in de reeks vis-a-vis

* Documenta 4 / Jef Cornelis / DVD uitgegeven door Argos, Le Magasin, JRP, bdv. ISBN 978 3 03764 257 3