Recensie

Het kunstwerk van de toekomst

Door Jan Dietvorst, geplaatst op 30 oktober 2013

Richard Wagner

In woorden naverteld zijn de meeste opera’s onuitstaanbaar. Een tenor is verliefd op de sopraan en hij wordt door de bas tegengewerkt; een eenvoudige handeling wordt tot in het oneindige versierd en tot een avondvullend spektakel uitgerekt. Opera is bij uitstek kunstmatig, het lijkt zelfs alsof dat haar meest wezenlijke kenmerk is. Het is die combinatie van namaak en uitvergroting die tegenstanders zo woedend maakt. Dat opera’s alleen gerealiseerd kunnen worden met een optimum aan middelen – in grote gebouwen met musici als legers in slagorde en toegangsprijzen die gelijk zijn aan het weekloon van de arbeider – draagt zeker aan het ressentiment tegen de kunstvorm bij.

Het werk van Richard Wagner neemt in de aanklacht een voorname plaats in. Zelfs voor de liefhebbers van deze kunstvorm is zijn werk vaak ongenietbaar. Aan die tegenstand heeft de reputatie van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei ongetwijfeld bijgedragen. Je zou kunnen zeggen dat Wagner het de hedendaagse criticus met zijn besef van Wereldoorlog II wel erg gemakkelijk heeft gemaakt; zijn mythomanie, obsessie met zuiverheid en zijn streven naar een ‘gemeenschapskunst’ als vervanging van religie zijn exemplarisch voor de veronderstelde continuïteit tussen zijn werk en het perfide Duizendjarige Derde Duitse Rijk.

In het boek Het Kunstwerk Van De toekomst (1849) formuleert de componist en theatervernieuwer welke ideeën er aan zijn ambities en kunstwerken ten grondslag liggen. Zijn tekst – onlangs door uitgeverij Ijzer voor het eerst in het Nederlands uitgegeven – is een combinatie van een beginselverklaring, een cultuurkritiek en een manifest. In zijn uitstekende inleiding maakt vertaler Philip Westbroek duidelijk in welke maatschappelijke en intellectuele omgeving Wagner opereerde en waar zijn masterplan voor de kunst in het algemeen en zijn opera’s in het bijzonder vandaan komt. Westbroek zegt over Wagners kunsttheoretische teksten: ”In al deze werken worden uiteenlopende thema’s uit de kunst, geschiedenis, politiek, wetenschap, filosofie en religie(kritiek) tot een opmerkelijke synthese gebracht, waarin diepe waarheden en flagrante leugens, verheven inzichten en aperte banaliteiten, meeslepend pathos en kleinzielig ressentiment hand in hand gaan.” Hij noemt Wagner weliswaar een dilettant maar zegt ook dat zijn teksten “… getuigen van een grote kennis van uiteenlopende onderwerpen, een overkoepelende visie op kunst en werkelijkheid en een vaak aanstekelijke bezieling.

Een onmiskenbaar voordeel is dat de meester in Het Kunstwerk Van De Toekomst – bevrijd van alles dat na hem kwam – zelf aan het woord is en ons een blik in het hart van de Negentiende Eeuw wordt gegund. Was het niet een eeuw die zwart zag van de wereldverbeteraars, systeembouwers en utopisten? De Nieuwe Mens was bij wijze van spreke op diverse straathoeken en pleinen van Europese steden te vinden. De revolutionaire atmosfeer heeft Richard Wagner geholpen om groot te denken en in zijn kunstwerken risico te nemen. De bijvoeglijk naamwoorden ‘ware, waarachtige, bewuste en noodzakelijke’ komen in bijna elke zin voor; het lijkt alsof de schrijver met zijn onwrikbare gevolgtrekkingen en zijn besliste stijl de componist tot godgelijke scheppingsarbeid wil opzwepen. Tot aan de “…onvoorwaardelijke en directe uitbeelding van de volmaakte menselijke natuur.”

Richard Wagner was te oordelen naar zijn teksten een geestdrijver in de ware zin van het woord. Je vraagt je af of zijn verhandelingen in grote oplagen werden gedrukt en of zij de opvoering en receptie van het echte werk bevorderd hebben. Het blijft intussen raadselachtig waarom een belachelijke opera als Parsifal zelfs goddelozen, sceptici en nihilisten ontvankelijk voor volstrekt tegenstrijdige emoties maakt. Wagner was een rare snijboon, maar misschien wel de beste verhalenverteller van allemaal.

Titel: Het kunstwerk van de toekomst
Auteur: Richard Wagner
Uitgever: Uitgeverij IJzer