Recensie

Manette Salomon – Edmond en Jules de Goncourt

Door Alexandra Crouwers, geplaatst op 8 december 2017


De professionele roddelbroers Edmond en Jules de Goncourt hebben zichzelf onsterfelijk gemaakt door hun dagboeken, waarin zij de 19e-eeuwse Parijse jet set op buitengewoon geestige wijze mangelden. Daarnaast werkten zij als schrijversduo aan een romanoeuvre, waarin artistieke kringen het toneel vormden.

‘Manette Solomon’ verscheen in 1867, en werd na honderdvijftig jaar voor het eerst vertaald in het Nederlands. De roman speelt zich in 155 korte hoofdstukken af tussen 1840 en 1865, en volgt de levens van een aantal kunstenaars. Aan het begin van het verhaal zijn Coriolis, Anatole, Garnotelle en Chassagnol nog studenten in een schildersatelier. De naamgeefster van het verhaal duikt pas na geruime tijd op, en weet het leven van de gedreven Coriolis grondig te overheersen.

Manette is in deze roman vooral een kapstok om een aantal karakteristieke observaties aan op te hangen die verbazend dicht tegen de personages van Nescio aan schuren, hoewel ‘De Uitvreter’ ruim vijftig jaar later verscheen. Nescio’s karakterschetsen overstijgen tijd en ruimte door hun eenvoudige geloofwaardigheid. Ook in ‘Manette Solomon’ komen herkenbare talentloze strebers, talentvolle luilakken en miskende genieën voorbij.

Er wordt heel wat gedebatteerd over kunst – voornamelijk over schilderen en schilderijen, natuurlijk. De schilderkunst is in de eerste helft van de 19e eeuw nogal gezapig geworden, en de meest gelikte schilders zijn het meeste succesvol. De nood aan een frisse wind wordt regelmatig geuit.

Schilderijen worden door de kunstenaars besproken in termen als lichtinval, gevoeligheid van de toets, compositie en andere formele zaken. Kom daar tegenwoordig eens om in de beeldende kunsten! Het dichtst bij een ‘artistiek concept’ komt het boek als het over werken gaat die op mythologieën zijn geïnspireerd, want dit was destijds erg in de mode.

Anatole, een goede vriend van Coriolis, zweeft in zijn mislukte kunstenaarschap langs de afgrond. Hij krabbelt even overeind als iemand die het goed met hem meent hem een portretopdracht gunt. Coriolis zelf wordt gaandeweg in zijn persoonlijke èn artistieke vrijheid beknot door het model Manette. Dit terwijl hij zichzelf had voorgenomen nooit te trouwen, en alleen voor de kunst te leven.

Bavink ziet het in ‘De Uitvreter’ niet meer zitten. Het lukt hem niet een zonsondergang te schilderen, die de ervaring zelf vangt. In ‘Titaantjes’ lukt het Bavink om een rijk en beroemd schilder te worden. Hij is gearriveerd, maar wat nu? Alsnog wordt Bavink waanzinnig.

Ruim honderd jaar na Bavink en honderdvijftig jaar na Coriolis en Anatole voelt ‘Manette Salomon’ tegelijkertijd vertrouwd en vreemd aan. Het egocentrische gemekker in de kunstwereld heeft blijkbaar een lange traditie. Maar de kwellingsromantiek waarin menig kunstenaar zich een kleine eeuw geleden nog wentelde, heeft de laatste decennia plaatsgemaakt voor de ‘creatieve ondernemer’, die het natuurlijk altijd druk, druk, druk heeft; niet met pogingen de zonsondergang te vangen, maar met ‘onderzoek’ en ‘concepten’.

‘Manette Salomon’ is hedendaags en amusant. Vertaler Anneke Pijnappel noemt het boek terecht verplichte kost voor elke kunststudent.

Uitgeverij Voetnoot, Antwerpen. Vertaling: Anneke Pijnappel. Nawoord: Eric Min. Afbeelding omslag: Marc Raes. 418 pagina’s, ISBN 978 94 91738 111, 25 Euro.