Recensie

Op de boomgrens van Thomas Bernhard

Door Nico de Louw, geplaatst op 26 november 2016

boomgrens
Thomas Bernhard (1931-1989) kennen wij als een roemrucht en vernieuwend Oostenrijks toneelschrijver, bekend om zijn meer dan eens geëtaleerde bijtende kritiek op eigen land. Hij heeft ook proza, poëzie en egodocumenten op zijn naam staan.

In Op de boomgrens verkennen drie korte verhalen grenzen tussen schijn en werkelijkheid en die tussen mensen en hun posities onderling.

Het eerste verhaal voert ons de gevangenis in en maken wij kennis met Kulterer (what’s in a name?). Een bijzonder mens: onbeduidend maar desondanks voor zijn medegevangenen en cipiers gezaghebbend als een contrapunt in een rauwe, gevoelloze wereld. Hij schrijft ’s nachts verhalen die zo maar in hem opkomen en die hij voltooit, mits niet gestoord door zijn kamergenoten. Aldus ontstaat een pak verhalen, waar niemand enige interesse voor toont, totdat zijn ontslag nakende is. Daardoor verandert er van alles. De buitenwereld, het leven in vrijheid is voor Kulterer juist niet iets om naar uit te kijken: “Mijn ontslag uit de gevangenis betekent dat ik mijn vrijheid moet opgeven. Wat in de buitenwereld mensonwaardig is, kan hier ter sprake worden gebracht”.

Toch is zijn vertrek onvermijdelijk. Hij beziet de gevangenis ineens met ‘nieuwe ogen‘, herkent er de tekenen van het oude klooster in wat het voordien was. Zijn mede gevangenen veranderen mee, vormen een publiek dat ineens wel interesse in zijn verhalen toont en het voorlezen ervan verlangt. Kulterer is aan de grens van zijn gevangenisleven gekomen, op het moment van gevonden geluk. Wat de overgang naar de buitenwereld voelbaar pijnlijk maakt en de lezer het ergste voor hem doet vrezen.

De Italiaan is het tweede verhaal en kennelijk een fragment van een groter verhaal dat Bernhard voor ogen heeft gestaan, zoals ook uit het Nawoord naar voren komt. De grens krijgt hier een diverse invulling: de vader van de hoofdpersoon heeft een eind aan zijn leven gemaakt en ligt nu opgebaard te midden van de familie in een paviljoen. Het paviljoen heeft voor de familie een belangrijke betekenis, want deed voor de familie dienst als theatertje voor de ‘zomerkomedies’: toneelstukken waarvan de leden stukken schreven maar ook de aankleding voor hun rekening namen. De hoofdpersoon is zoon van de overledene heeft zich uit het gezelschap afgescheiden met een gast uit Italië die een rijke ondernemer is waartegenover de hoofdpersoon zich ontpopt als een socialistisch geëngageerde onderzoeker. Herinneringen aan de toneelvoorstellingen lijken een spanning op te roepen met de rouwende familie even verderop. Die spanning wordt nog eens opgevoerd, als de hoofdpersoon zijn Italiaanse gast, ook voor hem zelf onverwacht, deelgenoot maakt van het geheim van de open plek waar ze net hadden gestaan. Daar blijken in de oorlog meer dan 20 Polen te zijn geëxecuteerd die zijn vader als enige ooggetuige heeft zien liggen in het paviljoen, sindsdien door hem ‘het slachthuis genoemd, alvorens ze terechtkwamen in het massagraf op de open plek.

De titel van het boek is ook de titel van het derde verhaal. In praktisch leeg pension in een klein dorp hoog op de berg ver van de bewoonde wereld, lijken schijn en werkelijkheid keerzijden van dezelfde medaille. Een politieman zal daar zijn nieuwe post gaan vervullen en schrijft daarover aan zijn zwangere verloofde in het dal. Hij schrijft haar rooskleuriger dan hij het in het echt beleeft. Schrijft dientengevolge meerdere brieven voor hij er daadwerkelijk één verzendwaardig oordeelt. Hij somt de voordelen van het daar zelfstandig kunnen werken in alle vrijheid in een tweemanspost met nog een mooie salarisverhoging op de koop toe, terwijl hij bij zichzelf denkt : dit is een doodstraf en hoe kom ik weer terug in het dal bij de mensen en terug in de beschaving.

Plots is er –als in een toneelstuk- de entree van een jongeman en dito vrouw waardoor hij zijn brief onderbreekt om uit te vogelen wat hij voor vlees hij met die twee in de kuip heeft. Op grond van wat hij ziet, hoe ze praten en hoe deze twee onderling communiceren, dicht hij hen van alles toe waar bij de onverwachte afloop van het verblijf van die twee niets bewaarheid wordt.

In het boeiende nawoord lezen wij dat Bernhard niet voor veel geluk in de wieg was gelegd en begrijpen we meer van zijn latere illusieloze en agressieve houding tegenover de wereld, zoals zich die zich laat aflezen uit zijn toneelwerk. Het begon ermee dat zijn moeder Oostenrijk ontvluchtte om zich niet de publieke schande van een ongewenste zwangerschap op de hals te halen. Ze baarde Thomas in Heerlen en van de vader werd nooit meer iets vernomen. Terug in Oostenrijk is Bernhard ondergebracht bij de ouders van zijn moeder en kreeg van alle kanten permanent te begrijpen dat hij het leven van zijn moeder had vergald. Desondanks was het leven op het platteland ‘zijn aards paradijs’ waar hij tot zijn ongenoegen uit werd verstoten toen hij voor scholing naar Salzburg werd gestuurd. Dat voelde en werd ervaren als verraad, zoals ook zijn lichaam hem in de steek liet:hij moest langdurig een sanatorium in vanwege een ziekte aan zijn longen.

Bernhard ontwikkelde aldus weinig achtingvoor de mens in zijn doen en laten en grossiert in zijn werk daarom in cholerische hoofdpersonages, die uitvergrotingen van hemzelf mogen heten.

Het titelverhaal, ooit eerder vertaald door Jacob Groot, is met de beide andere, die ook zijn verfilmd voor de TV, gebundeld in 1969. Opmerkelijk toen de filmploeg op de draailocatie van De Italiaan even afwezig was, heeft Bernhard de decorstukken verwoest en getelegrafeerd dat de filmopnamen moesten stoppen, om zich vervolgens over het eindresultaat uiterst tevreden te tonen. Het als fragment aangeduide verhaal, diende later als uitgangspunt voor zijn laatste roman ‘Auslöschung‘. Ein Zerfall (1986).

Het nawoord vergast de lezer ten slotte op de dankrede die Bernhard uitsprak in 1968 na de toekenning van een Oostenrijkse staatsprijs waarin hij geen spaan heel hield van het Oostenrijkse volk: “Wat we denken, is nagedacht, wat we voelen, is chaotisch, wat we zijn, is onduidelijk”. Een tekst die heden ten dage nog recht overeind staat en zich echt niet hoeft te beperken tot het Oostenrijkse volk.

Die rede alleen al maakt de aanschaf van de drie miniaturen vol zeggingskracht, meer dan raadzaam.

Op de boomgrens van Thomas Bernhard, verschenen bij Uitgeverij IJzer.