Recensie

Piet Mondriaan en ik

Door Jan Dietvorst, geplaatst op 18 september 2017


Léon Hanssen werkt aan het tweede deel van zijn levensbeschrijving van de grote modernistische schilder Piet Mondriaan, het bestrijkt de jaren 1933 – 1944 met zijn verblijf in de Verenigde Staten als hoogtepunt.  Het eerste deel – De schepping van een aards paradijs (1919 – 1933) wordt alom door kenners, lezers en critici geprezen. Maar blijkbaar was Hanssen nog niet over zijn onderwerp uitgeschreven: bij uitgeverij Huis Clos verscheen zijn boek  Alleen een wonder kan je dragen / Over het sublieme bij Mondriaan. Je vermoedt in eerste instantie dat de schrijver een en ander over zichzelf kwijt, van het kleine aantal foto’s in het boek zijn er maar liefst vier die niet met de kunstenaar te maken hebben. Léon Hanssen schrijft op de eerste bladzijde dat zijn grootouders hem als twaalfjarige in een cultuur- en boekenloze omgeving een ééndelige Moderne Winkler Prins in kleuren cadeau deden en dat daarmee een nieuwe wereld voor hem open ging. Hij zag erCompositie in lijn en kleur uit 1913 van Piet Mondriaan. Alleen een wonder kan je dragenis aan zijn grootvader Leoppld Meurs (1900 – 1980) opgedragen.

Maar zo tastbaar als deze belangrijke gebeurtenis uit zijn jeugd blijft het boek niet, je leert de schrijver vooral kennen uit zijn intellectuele geschiedenis die overigens altijd met de artistieke levensbeschouwing van zijn onderwerp verbonden is. Soms lijkt het alsof Hanssen in zijn fascinatie een leerling van de schilderende monnik Piet Mondriaan is.

Het is een van de paradoxen waar ieder biograaf voor staat; kun je waarachtig over een kunstenaar schrijven waarvan je persoon en werk niet kunt waarderen of er juist idolaat van bent.? Hanssen reflecteert in het boek op het werk van de biograaf, hij schrijft:’ (..) ook de Maastrichtse emeritus-hoogleraar Maaike Meijer heeft terecht gewezen op de conservatieve agenda die aan veel met name Nederlandse biografieën ten grondslag ligt. In de glorieuze wijze waarop de helden van deze levensbeschrijvingen een ‘doelbewuste naar de top voerende ontwikkeling’ mogen doormaken, wordt de invloed van dood en verlies in een mensenleven compleet weggepoetst’. Hanssen pleit daarentegen voor de biograaf als een ‘vagebond’. Alleen een wonder kan je redden is zo’n onvoorspelbare tocht langs reflecties, citaten, kunstwerken, biografische feiten en ideeën. Het resultaat daarvan zou je in situationistische termen een geslaagde dérive kunnen noemen.

Naast behoefte aan idolen merk je bij Hanssen een grote behoefte aan kunstwerken en kunst. Verbeelding leert de mens als het ware te leven, deze biograaf brengt er heel van wat van mee om schilder en idealist Mondriaan gestalte te geven. Hanssen schrijft bij een passage over collega biograaf Richard Holmes dat de biograaf ‘met zijn held en de geschiedenis een fictieve relatie opbouwt.’ In zekere zin is de biografie dus fictie maar in het geval van Hanssen is dat eerder een voordeel dan een bezwaar. De inzet is hoog. Op een van de laatste bladzijden van het boek schrijft Léon Hanssen dat ‘de historische vertelling’ het bewustzijn en het geweten moet activeren.

Dit boek doet uitzien naar de biografie van de jaren 1933 – 1944. Met een dubbele longontsteking en ernstig verzwakt komt Piet Mondriaan in de winter van 1944 in een New York’s ziekenhuis terecht. Penicilline, het recent ontdekte medicijn dat zijn ziekte kan genezen, komt pas in juni van dat jaar bij apotheken beschikbaar. Op zijn atelier staat het onvoltooide maar evengoed sublieme Victory Boogie Woogie. De grootste Nederlandse schilder van de twintigste eeuw is 71 jaar.