Recensie

Poes in verdrukking en verzet

door Sanne Lohof, geplaatst op 19 juni 2015

Poes in verdrukking
Paul Arnoldussen baseerde zich bij het schrijven van het boekje Poes in verdrukking en verzet 1940-1945 op krantenartikelen, archiefmateriaal en persoonlijke gesprekken. Katten waren ook toen al onderdeel van het gezin, en het verhaal over de poes is dus ook deels het verhaal over haar gezinsleden. En het verhaal van Nederland in de oorlog.

En al zijn op ’t stuk van paaien
Holland’s poesen wel volleerd,
‘k Heb de moffen hùn zien aaien,
Maar het was nooit omgekeerd.
– uit Hein mijn Kater, moffenhater van Damas Hoogendijk

De bezetting bracht het land al snel de voedseldistributie, en ook katten en honden moesten aan de bon. Er werd onderscheidt gemaakt tussen raskatten, huiskatten en bedrijfskatten. Bedrijfskatten hadden de taak bakkerijen, drukkers, opslaghuizen en andere bedrijfsruimten muisvrij te houden, en vanwege hun belang kregen zij een toewijzing voor kattenbrood. Dat kattenbrood bestond aan het begin van de oorlog nog uit vermaalde kleine visjes, later werd dat vervangen door brood geweekt in water of soms melk. Raskatten moesten het eten delen, hun eigenaren kregen een toewijzing voor al hun katten minus een. Huiskatten kregen helemaal geen toewijzing, “zij behoren tot het gezin en moeten met de pot mee-eten.” Vanaf 1942 kwamen alleen nog bedrijfskatten in aanmerking voor kattenbrood. De dierenasiels kregen voedsel voor hun dieren, maar niet voldoende. Door de voedselschaarste zowel in asielen als thuis werden poezen in grote getalen afgemaakt.

Mensen kregen door de distributie van vlees een rantsoen van vijfhonderd gram vlees en vet per persoon per week. Dat kwam neer op een pakje boter en tweehonderdvijftig gram vlees. Maar veelal was dat vlees er helemaal niet, omdat boeren verplicht werden om van weiland akkerland te maken en zo meer calorierijk (en plantaardig) voedsel te produceren. Maar vlees bleef wel lekker. En daar werd de poes het slachtoffer van. Al in 1940 verdwenen katten, voor het vlees of het zachte velletje. De term ‘dakhaas’ raakte in zwang. “Het smaakt minstens zo goed als konijn”, zei een Amsterdamse jongen tegen een inspecteur van politie die hem in de kraag had gevat. De ‘hazenpeper’ werd een begrip. Tot op de dag van vandaag laten veel poeliers nog wat pels aan de hazenpootjes zitten om te tonen dat het geen poes is.

Het was dan wel verboden om katten te meppen, toch hebben kattenmeppers vele poezen buit gemaakt. J.M. Clarke beweert zelfs in zijn studie The effect of selection and human preference on coat color gene frequenties in urban cats uit 1975 dat de verklaring voor de oververtegenwoordiging van donkere of zwarte katten in steden te verklaren is uit het kattenmeppen: donkere katten waren minder zichtbaar.

Het verbod op kattenmeppen gold aanvankelijk alleen voor het meppen van andermans katten, het doden en verorberen van eigen katten was tot 30 januari 1943 toegestaan. Na die datum was de boete daarvoor duizend gulden of dertig dagen hechtenis. Interessant dat naarmate het eten nijpender werd, de regels stringenter werden met betrekking tot het opeten van huisdieren. De bezetter was gevraagd of de vleeskeuringswet aangepast kon worden zodat honden en katten als slachtdieren konden worden beschouwd, maar de bezetter vreesde dat dit de geallieerde propaganda in de kaart zou spelen (‘In het bezette Nederland eet men nu poes’). De politierechter in Amsterdam veroordeelde een fabrikant uit Hilversum tot een maand cel na het doodslaan van een kat met een pook, “wie zo tegen een kat optreedt is in staat een mens op dezelfde wijze te mishandelen” vond de rechter. Of hij daarin gelijk had of niet, het blijft een opmerkelijk vonnis in de tijd dat massa’s mensen op gruwelijke wijze en ongestraft gedood werden.

De afdeling Amsterdam van de Dierenbescherming kreeg geregeld het verzoek in te grijpen omdat er ergens een kat onverzorgd achtergebleven was, achtergelaten door Joodse gezinnen die plotseling moesten vertrekken of werden opgepakt. Naast het overvloedige andere leed, was het moeten achterlaten van poezen aangrijpend voor de bezitters. Anne Frank schreef op 12 juli 1942 in haar dagboek: “Moortje mis ik op elk moment van de dag en niemand weet hoeveel ik aan haar denk, altijd als ik aan haar denk krijg ik tranen in mijn ogen ervan.”

Poes in verdrukking en verzet 1940-1945 is uitgegeven door de Poezenkrant, als nummer 57.

20150618103423182_0003