Recensie

Recht van spreken

Door Guus Bauer, geplaatst op 30 april 2016

om_abdou_560x891
Lammert Voos (1962), Lambrusco, mister Voosfruit, is een honderdvijfentwintig kilo zware Groningse brompot met een klein idealistisch hart. Een fijne sombermans, een schrijver die de twijfel tot levenskunst heeft verheven. Terwijl daar eigenlijk geen reden toe is, want Voos is in zijn proza een van de meesters van de kleine twist. Het enkele woord, de bijzin die een scene, die een emotie achter de woorden een nieuwe lading geeft. De dichter die de observatie net weet te kantelen, die je fijntjes op het verkeerde been heeft gezet, maar je ook weer terughaalt, aan de borst koestert. Voos is voor uitgevers en redacteuren een uitdaging. Hij wil te veel, wil te weinig, ziet er toch maar van af, wil ‘zijn eigen man’ blijven en vervalt bij tijd en wijle in een schmierende somberheid. Maar hij richt zich altijd weer op.

Zijn prozawerk Abdou en de anderen verklaart een hoop. Het is heel persoonlijk, maakt duidelijk welke innerlijke strijd Voos jaren heeft moeten voeren, wat zijn gemoed heeft bezwaard, wat hem grotendeels heeft gevormd, wat tot een zekere afzondering heeft geleid. Het is een met hart, ziel, lever en nieren – er vloeien begrijpelijke sloten spiritualia – geschreven ooggetuigenverslag van iemand die nauw betrokken is geweest bij vluchtelingenopvang. Het is een pleidooi voor de nuance, een gefundeerde aanklacht, die zonder meer simultaan zou moeten uitgeleverd worden met Hoe ik talent voor het leven kreeg van Rodaan Al Galidi. Beter nog: boekenpanel van DWDD, maak deze belangwekkende, met een enorme drive geschreven ‘verklaring onder ede’ tot boek van de maand. Het is autobiografisch genoeg, actueel, problematiek aankaartend. Haakjes genoeg voor de pers. (Het COA dient verplicht elke medewerker een exemplaar ter hand te stellen. Overhoren! Tweede Kamerleden, opent uw ogen en lees. Reflectie gewenst, neem een voorbeeld aan de zelfspot van Voos. )

De idealistische punker Voos is een semi-bedaagde man geworden die zich heeft teruggetrokken op het platteland ergens in het noorden van ‘ons’ land, voor zijn eigen (emotionele) veiligheid en die van anderen. Maar met dit geschrift staat hij toch weer op de barricaden. Hij meldt dat hij als vrijwilliger in de vluchtelingenopvang en later als een soort vliegende kiep bij ‘de tegenpartij’ zich nooit, anders dan met alcohol, los kon maken van de veelal dramatische gevallen waarmee hij direct of indirect te maken had. Voos maakt mensen van nummers, zet de houding van de Nederlandse overheid en van een groot gedeelte van de burgers in het juiste historische perspectief. Hij vaagt vooroordelen – dat we overspoeld worden bijvoorbeeld – met feitenmateriaal en vooral de juiste cijfers volkomen weg. Na het schrijven van Abdou en de anderen moet hij toch ook afstand kunnen nemen. Heeft hij in elk geval zijn standpunt meer dan duidelijk gemaakt. Het valt te hopen dat hij geen roepende in de Groningse pampa’s blijft.

Abdou en de anderen is niet alleen essayistisch sterk, maar wordt ook naar een hoger niveau getild door de licht-melancholische toon van de schrijver, door de zelfkennis, door de fijn bijtende zelfspot. Het proza krijgt daardoor iets onbestemds, maakt de boodschap dwingender. Je krijgt af en toe een glimp te zien van de blanke pit van deze ruwe bolster. Zo moet je schrijven.

‘Ik weet sinds kort dat het niet zo is dat de bedrading in mijn hoofd kapot is, maar dat die structureel verkeerd is aangelegd. Bovendien is het instructieboekje kwijt. Dat maakt mij maar gedeeltelijk verantwoordelijk voor mijn gedrag, maar dat gedeelte in mij dat die verantwoordelijkheid aanvaardt, vindt het tóch pijnlijk.’

Voos analyseert chronologisch, allereerst zijn tijd als vrijwilliger voor Vluchtelingenwerk. Hij belandt midden in het oorlogsgebied van het voormalige Joegoslavië. Daar tracht hij gezinsleden te vinden van in Nederland opgevangen vluchtelingen. Zoals in dit hele boek, druipt ook daar al de onmacht, de ongekende bureaucratie, de hypocrisie en de besmuikte xenofobie, van de pagina’s. Maar de jongeling, net herstellend van een moeizame echtbreuk en de daarop volgende depressie, zet moedig door, gelooft nog halsstarrig in het verbeteren van de wereld. Breekt en buigt waar hij kan wetten en regels om iets voor elkaar te krijgen voor de mensen. In een geleende Nissan was Voos met een vriend afgereisd naar de Balkan, met een hulpverlenerspas, een doos formulieren en een hoop goede moed. Op de radio draaiden ze keihard muziek van Therapy: Don’t belong in this world or the next one. En dan laat hij zo’n fijn kantelzinnetje volgen. ‘De ironie daarvan ontging ons destijds.’ Eenmaal daar worden ze spijkerhard geconfronteerd met de waanzin van de collectieve haat, maar ook met de enorme verveling waar oorlog eveneens uit bestaat. Wat een gloedvol verslag. ‘Ik had het nodig dat er iemand aardig voor me was, al was ik het zelf.’

De disfunctionaliteit van het systeem komt ook hier empirisch naar voren. De IND is terecht de gebeten hond. Specifieke voorbeelden zijn niet eens noodzakelijk. De starheid, de willekeur, de paranoia, de ondoorzichtigheid van de beslissingen, het gebrek aan empathie zijn gemeengoed. In klip en klare taal vat Voos de vooral voor Nederland pijnlijke situatie rond Srebrenica samen. Schuld is makkelijk af te schuiven.

Na zijn terugkeer uit Zagreb werd Voos supervrijwilliger. Hij begeleidde alleenstaande minderjarige asielzoekers. De algemene opinie in die tijd: vluchtelingen dienden dankbaar te zijn dat ze hier mochten zijn. Is die opinie veranderd? De schrijver, de observator ontpopt zich hier als een chroniqueur van het menselijk leed, als woordvoerder van onmondigen, van mensen die feitelijk monddood worden gemaakt. Mensen die geen kant meer op kunnen. Wat te denken bijvoorbeeld van de gemengde huwelijken. Je hoort nergens meer bij, wordt door beide partijen uitgekotst, vervolgd, vermoord. Maar zie dat maar eens te bewijzen! Dergelijke verhalen zijn niet weg te zuipen.

En dan is daar de overheid die zich terloops presenteert als slachtoffer, als gouden pot waaruit iedereen komt snoepen. Terwijl het gros toch hunkert naar veiligheid, ja, ook naar een klein beetje welvaart. Een normaal mens die dit alles van nabij meemaakt móet wel in gewetensnood raken. En dan gaat de schrijver in 1996 ook nog eens werken voor de voormalige vijand het COA. Hemeltergende patstellingen die het boek van Rodaan volstrekt legitimeren. Voos had een zwijgplicht, maar kon zijn mond niet houden. Het contract werd uiteraard niet verlengd. Geen pottenkijkers die uit de school klappen.

‘Ik heb een zwijgplicht, maar voel me daar niet aan gebonden: onze overheid schendt nog steeds de rechten van asielzoekers en vluchtelingen door ze zonder vorm van proces op te sluiten. Mensen die niets anders doen dan een betere toekomst zoeken buiten hun eigen land. Men noemt dat eufemistisch vreemdelingenbewaring. Ook kinderen worden bewaard.’

De schrijver is beschadigd door zijn beschaamde vertrouwen. Voos heeft zich aan de kant van de asielzoekers geschaard. Hij is in alles, misschien wel als elke oprechte schrijver, een soort vluchteling. Idealisme dat niets kost, politieke correctheid, toneelstukjes voor de buitenwereld. Maar de waarheid is dat de asielprocedure een hel is. Wilt u dit alles weten? Ja, het moet. Neem dit rijke boek tot u en oordeel dan opnieuw.

Uitgegeven door AFDH Uitgeverij.