Recensie

Russische verhalen

Door Guus Bauer, geplaatst op 8 juli 2017


Heeft u ook weleens genoeg van het hedendaagse literaire gekrakeel, van de borstklopperij van al dan niet jonge vaderlandse honden? Lees dan een gedegen biografie – over Van Oorschot, Van Gennep, Polak, Alberts, Fallada of het echtpaar Bordewijk – waarachtige dagboeken zoals die van Victor Klemperer of Hanny Michaelis of neem een goede vertaalde roman ter hand. Klassiekers zijn goed voor de ziel. Al zeker het werk van de oude Russische meesters. In dat kader ligt een bundeling te wachten met de tien vroege romans en novellen van F.M. Dostojevski in nieuwe vertaling van Arthur Langeveld en Madeleine Mes.

Een mooi voorproefje is in dit kader Je wordt bedankt! Pensioenverhalen van Isaak Babel, Boenin, Toergenjev en Tsjechov. Een verzameling van tien verhalen met al dan niet getormenteerde oude zielen in de hoofdrol. Nog steeds fris van de lever, de menselijke cyclus is van alle tijden. Ouderdomsclichés zijn niet voor niets clichés geworden. Alles wat de ouderen altijd beweerd hebben is waar, je moet het allen zelf doorleven. En dat heeft ook wel weer iets moois. Anton Tsjechov – wat vorm en spanningsboog betreft een absolute favoriet in deze verzameling – opent grandioos met Het winnende lot waarin een doorsnee burgerman figureert die eigenlijk wel tevreden is met zijn bescheiden lot. Hij heeft een jaarinkomen en zijn leven samen met zijn vrouw kabbelt rustig voort.

En dan kijkt hij op een keer in de krant naar de trekkingslijsten van de loterij. Hij gelooft er eigenlijk niet in, maar zijn vrouw heeft nu eenmaal een lot gekocht. Het serienummer komt overeen, nu het lotnummer nog. Meesterlijk ontspint er zich dan een psychologisch spel. Beide echtelieden fantaseren openlijk en in gedachten over wat ze met het enorme bedrag zullen gaan doen. Ze kwellen zich bitterzoet met de kans op geluk. Tegelijkertijd wordt hun verhouding op scherp gezet. Alle verborgen emoties, verwijten, gemiste kansen komen naar boven. Hoop en haat vestigen zich tussen hen in. Hun ware verhouding wordt door Tsjechov pijnlijk duidelijk gemaakt. Is er nog een verlossend woord mogelijk?

De oudere vrouw in Een mooi leven van Ivan Boenin blikt tevreden terug. Alles is haar gelukt omdat ze altijd erg vasthoudend van aard was. Ze heeft wat dat betreft een goede leerschool gehad aan haar vader, een voormalige lijfeigene. Met een paar pennenstreken weet Boenin het feodale stelsel in alle facetten neer te zetten. Fijn gebochelde zonen van landheren die naar de gunsten dongen van de vrouw toen ze jong was. En ze had niets te walgen, want ze was arm. Maar ze vocht zich er doorheen. Langzaam wringt zich het noodlot, het ongeluk binnen in haar verhaal, bijna tegen de wil van de vertelster in, bij monde van haar afglijdende zoon. Iemand die ze ter wille van haar levensdoel wel weg moest zenden. Maar haar mislukking in dit kader speelt haar aan het einde van haar leven steeds meer parten. Maar wat graag zou ze hem in de armen willen sluiten, of tenminste willen weten wat er van hem geworden is. Zoals Boenin het treffend zegt: ‘Water blijft water, al kook je het…’

Ja, er zijn ook gepensioneerden die zich terzijde geschoven voelen. Tsjechov balt het samen in Afgedankt! Een oude vaandrig raakt zijn rang kwijt omdat in de krant heeft gestaan dat de rang van vaandrig niet meer bestaat. Eenieder die hij in zijn ongerustheid bezoekt blijkt ook zijn epauletten, zijn ordetekens kwijt te zijn. De maatschappij is ingestort. De status quo verdwenen. Dit is een maatschappijkritisch verhaal over de dwaze hang naar onderscheiding, naar rangen en standen en tegelijk een humoristische parabel over de angst voor uitsluiting, voor het overbodig verklaard worden. Iets dat nog eens aanstekelijk wordt verwoord in De overtolligen, eveneens van Tsjechovs hand.

In Kastrjoek laat Boenin duidelijk zien hoe moeilijk het is voor een grootvader om voor het eerste niet mee te gaan naar het land voor de oogst. Iemand die altijd bikkelhard was, die niet bij te houden was met het poten en maaien én met het drinken na afloop. Alles zegt hem dat zijn tijd erop zit, dat hij zich alleen nog nuttig kan maken rond het huis, als een oude vrouw. Hoe kan hij die oudemannendagen vermijden? De natuur is zijn redding. Veel van de vertellers in deze bijeengebrachte verhalen voelen een ‘bloedverwantschap met de stilzwijgende natuur’.

Men kijkt over het algemeen met weemoed terug op de jeugd. De tijd die achteraf gezien aan de jeugd is verspilt. In mijn eerste honorarium van Isaak Babel kijkt een schrijver terug op de tijd dat hij twintig was en onbemind. Een tijd waarin hij bezig was om de eerste verhalen aan de vergetelheid te ontrukken. Een jonge man ‘gevangen in de lasso ’s van gedachten’, een dromer, een ongelukkige in de liefde, die geen andere mogelijkheid zag dan zich te wenden tot een oudere prostituee. Een ‘verschrikkelijke’ jeugdervaring waar de verteller toch naar terugverlangt. De tijd die de scherpe hoeken wegslijpt. Een mooie opmerking van de verteller die nog steeds opgaat: ‘Een goed bedacht verhaal hoeft niet op het echte leven te lijken; het leven probeert uit alle macht op een goed bedacht verhaal te lijken.’

Zoals Radilov bij een dinertje in Iwan Toergenjevs Mijn buurman Radilov opmerkt, nadat hij heel plastisch over de dood van zijn vrouw heeft verteld: “Wat voorbij is, is voorbij; het verleden roep je niet terug; ja, en tenslotte… het wordt alles steeds beter hier in deze wereld, zoals geloof ik, Voltaire zei,’ voegde hij er snel aan toe.”

Dit is een verzameling met aanstekelijke meesterproeven van rasvertellers. De narratoren zijn stuk voor stuk levensecht, in verbittering en in vreugd, in onvrede en berusting.

Uitgegeven door Van Oorschot.