Recensie

Vladislav Vančura – Herberg ‘De goed luim’

Guus Bauer, geplaatst op 13 maart 2018

Een schrijver die toonaangevend was in de tijd van het Interbellum in Tsjecho-Slowakije is Vladislav Vančura (1891 – 1942). Hij zou wat moeilijker toegankelijk heten, lastig te vertalen zijn. Daar is het ondanks zijn immense populariteit in eigen land ook niet veelvuldig van gekomen. Maar van ontoegankelijkheid is zeker in de bundel Herberg ‘De goed luim’ niets te merken. Net als in de novelle Een grillige zomer zijn de teksten taaleigen en geestig op een onderhuidse wijze, zinnenprikkelend zogezegd. Maar waar het idioom in de novelle wat verheven is, als een protest tegen ambtelijke jargontaal, zijn de drie goedgeluimde verhalen wat taalgebruik betreft aardser van karakter.

Het blijft opvallend hoe fris deze teksten nog overkomen. Nu, ja, liefdesperikelen zijn van alle tijden en de licht-ironiserende toon zorgt voor een aanstekelijke herkenbaarheid. Het zijn de mensen die voor allerlei strubbelingen zorgen. Maar er wordt niet al te zwaar aan getild. De verhalen beklijven door de fijne terloopsheid, de optimistische levensinstelling. De aarde draait toch wel door, wat we ook uitspoken met elkaar. Eigenlijk geldt wat er over Een grille zomer te zeggen viel ook voor Herberg ‘De goede luim’: ‘Een paar slagen van het rad van fortuin, van de liefde, en de status quo is na wat opschuddinkjes weer hersteld. Maar er is toch iets blijven hangen. Helemaal hetzelfde is het alledaagse niet meer. Het getuigt van een realistische, relativerende kijk van de schrijver.’

Het titelverhaal opent met een knipoog naar het waarheidsgehalte van proza. Toen al! Het zet gelijk de toon voor de ware verhalenverteller. Wat een fijne ironie, wat een zelfspot.

Wat er verteld wordt is vaak zo’n amusante nonsens dat niemand er zin in heeft geloof te hechten aan ware gebeurtenissen en niemand die ook leest. Zo gaat eerlijkheid naar de knoppen en worden allerhande verzinsels de hemel in geprezen. Sapperloot! De waarheid – lijkt het – heeft haar hoefjes verloren en strompelt nu achter de leugen aan, waarvan men toch altijd zei dat die snel wordt achterhaald.

We gaan terug naar het begin van de Dubbelmonarchie. En daar zijn ze weer, de fijne randfiguren die aan de herberg voorbijtrekken en er soms een kijkje komen nemen. Lapzwansen, lichtekooien, schooiers en zigeuners die de gezaghebbers graag een poets willen bakken. (En daardoor al gelijk op een zekere sympathie kunnen rekenen. Het kwajongensachtige gehalte van de gauwdieverij, het afzetten van de op geld beluste hoge heren. Sluwheid die blinde geldgier verslaat. Tot echte gruwelijkheden kwam het maar zelden. De veldwachters kuierden nog en gauwdieven renden het hazenpad.) Een van die sluwe lieden, een zigeuner van een jaar of achttien, negentien, komt de herberg binnen op zijn vrijersvoeten. Hij is knap en ook nog een mooiprater. Kletst zich als vanzelf binnen bij de dertigjarige waardin Isabelle. Maar er is ook nog een heksachtige schraapzuchtige vrouw die in de herberg woont, die met iedereen ruzie zoekt.

En dan doet ook de slachter Kabrhel de gelagkamer aan. Hij loopt de schooieren, heeft al twee jaar zijn beroep niet uitgeoefend, maar loopt stad en land af met een scharminkel van een fokbeer. Dat varkentje zorgt nog voor een paar centen. Zonder omhaal voegt hij Isabelle toe dat hij blijft eten en bij haar blijft slapen. ‘Je zou toch maar bang zijn in je eentje.’ De sneeuwstorm neemt in heftigheid toe. De slachter stuurt de jongen met een paar centen eropuit om een stuk vlees te halen bij een slager. Wonderwel gehoorzaamt het braniejoch. Een allerliefste jongen, maar in feite nog een groentje. Onderweg bedenkt hij een list. Hij vertelt dat de slager heeft gezegd dat Kabrhel helemaal geen slachter is maar een schoenlapper. Voor straf heeft hij een varkentje gestolen, vraagt aan Kabrhel zijn hakmes te leen.

Op dat moment spreekt de schrijver de lezer aan. ‘Een afgelegen plek, een sneeuwstorm een hakmes en zigeunerhanden waar bloed aan kleeft! Brr, hoe vaak is zoiets niet beschreven en hoe vaak hebben lezers juist op dit spannendste moment niet hun boek weggesmeten? […] genoeg is genoeg.’ Dat geeft het gevoel van de orale traditie, iemand die de vertelling keer op keer fijn heeft geslepen en dat nu in het café aan het vertellen is. Het vervolg laat zich raden. Isabelle en de zigeunerjongen zijn inderdaad door een misdaad aan elkaar verbonden, zoals hij bij binnenkomst al had voorspeld. Een heerlijke geschiedenis, opgedist als een ironische smartlap.

Ook in De scharensliep is er sprake van concurrentie op het gebied van de liefde. Het weer is opnieuw bar en boos, een metafoor voor de slechte maatschappelijke omstandigheden. Scharensliep Nikodém sukkelt door stad en land. Het is 1931 en de misère heeft ‘haar intrede in de wereld gedaan’. Voorheen was het allemaal zo simpel. Zodra het regenseizoen kwam ging je in een kroeg bij een kachel zitten of desnoods ergens in een hooiberg liggen. Maar ook dat is geen veilige haven meer. Vančura heeft slechts twee woorden nodig om te schetsen hoe normaliter de Boheemse kroegbaas een klant verwelkomt: met een ‘hartelijke verwensing’. Maar in de tijd dat Nikodém rondwaart is de waard zo afgespekt dat ook voor hem de bedelstaf dreigt en hij klaplopers liever met een stok het dorp uit jaagt. Doorweekt wil Nikodém er de brui aan geven, als hij plots een dak ziet verschijnen.

En dan volgt zo’n typisch aanstekelijke beschouwing van Vančura. ‘Het is in de wereld zo gesteld dat menselijke ontbering altijd van tijd tot door nieuwe hoop bij de kladden gegrepen wordt. Hoop priemt haar sporen dan nog in je zij wanneer je denkt ermee afgerekend te hebben.’ Ene Josefina, een mooie sloerie, heeft ook al onderdak gevonden in de schuur, niet veel meer dan een vlooienstal. Het is ieder voor zich, maar toch trekken ze nadien gezamenlijk op, worden door boeren van hun land gejaagd. Het zonderlinge duo. Zij met een klein neusje dat, ha, niet zou misstaan in een bontjas en hij met een enorme haakneus en dierlijke gezichtsbeharing. Vančura, een arts die nooit heeft gepraktiseerd, neemt het op tragikomische wijze op voor de kleine luiden, onderwijl zichzelf allerminst sparend. Is de kunstenaar, de schrijver immers niet ook een halve schlemiel, slechts behept met het wapen van de taal, van de ironie. ‘De kunstenaar die de charme en waarde van meisjes zo goed weet in te schatten.’

Ook in de armoede zijn er gradaties. Een kermisklant die bij een plek van verkommerden aankomt heeft een koetsje, een uitgemergeld paard en nog vijftig kronen in zijn zak. Er ontstaat een sluipgevecht om Josefina. Josefina vindt het wel best, houdt, haar voormalige beroep als lichtekooi in gedachten, beide heren vakkundig aan de lijn. Het verhaal heeft een mooie frappe aan het einde, waarbij het paardje een heldenrol speelt. De bruutheid verslagen door gewiekstheid, in zekere zin door liefde, ook voor het dier. Eind goed al goed.

Eveneens de titel van het derde verhaal, de derde novelle eigenlijk. Al is het de vraag voor wie alles naar tevredenheid verloopt. Een leraar klassieke talen op leeftijd heeft een jonge blom getrouwd. Hoe lang zal het duren voor zij zal ronddolen in ‘het heelal van de liefde’, en zal vallen voor een van zijn leerlingen. Hoe listig weet men in deze vertelling te bedotten. Maar kan de lezer werkelijk inzetten op het geluk van het nieuwe koppel? Het blijft een carrousel. Vančura laat zijn personages fijn tekeergaan tegen de gevestigde orde. En ergens boeken ze ook resultaat, al zijn het wel vaak pyrrusoverwinningen. Naar het leven getekend. Fijn laconiek geschreven.

 

Het boek is her-uitgegeven door: Pegasus.
Te verkrijgen bij o.a. bol.com.