Recensie

Wat is waarheid?

Door Jeanine Albronda, geplaatst op 20 december 2013

verlangen_cover
Wij verlangen onze vrijheid!
is een wetenschappelijke afscheidsrede in de vorm van een toneelstuk. Cees Maris nam in mei 2013 met deze theatrale rechtszaak over slavernij, waarin hij zelf de rechter speelde, afscheid als hoogleraar Rechtsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Het stuk werd opgevoerd in de Lutherse Kerk. Hoofdpersonen zijn de advocaten Capitein (vóór slavernij) en Locke (tegen slavernij), strijdend om de ziel van de gevluchte slavin Virginia, die haar vrijheid eist. Het publiek kreeg de rol van jury.

Cees Maris is een wetenschapper met een vrije geest. Hij promoveerde in 1979 cum laude en vond dat een studie rechtsgeleerdheid alleen te mager was, zijn belangstelling was breder en hij wilde verder denken dat ‘zwart-wit tegenstellingen’. In 1989 werd Maris hoogleraar rechtsfilosofie. Zijn oratie, ‘Horror vacui’, een rechtsfilosofische uiteenzetting aan de hand van het werk van filosoof Friedrich Nietzsche en diens geloof dat objectieve waarheid niet bestaat, brak met alle tradities en werd uitgevoerd in de vorm van een muziekaal oratorium (“een filosofisch oratorium over botsende wereldbeelden”). In zijn publicaties concentreerde Maris zich op filosofische neutraliteit, op vrijheid en liberale mensenrechten, en op alle varianten van de liefde. Maris is een uitzonderlijk figuur; bij zijn afscheid onthulde Maris dat hij in zijn rijtje publicaties achterin elk van zijn boeken steevast een valse publicatie opnam en dat hij in iedere inhoudsopgave een verwijzing naar zijn liefje van dat moment verwerkte.

“Wij verlangen (…) onze vrijheid” is een uitspraak van Tula, de leider van de Curaçaose slavenopstand van 1795. Tula werd bloedig terechtgesteld, het duurde tot 1863 tot slavernij in de Nederlandse kolonies werd afgeschaft. Bestuurders, politicologen, filosofen, rechtsgeleerden, humanisten en theologen poneerden door de eeuwen heen hun stellingen over slavernij en Maris gebruikt in zijn boek twee betogers, die in werkelijkheid niet in dezelfde tijd leefden en die in het stuk bronnen aanhalen van de Grieken tot de achttiende eeuw. De hoofdpersonen die Maris koos debatteren over een intellectuele tegenstelling, terwijl ze ook met innerlijke conflicten worstelen.

Advocaat Capitein die eist dat Virginia terugkeert naar haar rechtmatige eigenaar, is geënt op de historische figuur Jacobus Capitein (1717-1747), waarschijnlijk de eerste zwarte predikant en de eerste gepromoveerde zwarte Afrikaan. Geboren als Asar in Afrika, in wat nu Ghana is, werd hij tot slaaf gemaakt toen hij op zevenjarige leeftijd zijn ouders verloor. Hij kwam in het bezit van de Nederlandse koopman Jacob van Goch, die hem als een goede vader behandelde en hem mee naar Nederland nam – in de wetenschap dat een slaaf rechtens vrij werd zodra hij hier voet aan wal zette. Asar werd gedoopt tot Capitein, ging naar school en studeerde theologie in Leiden. Zijn proefschrift behandelde de vraag of slavernij verenigbaar is met de christelijke vrijheid. Capitein had de Bijbel goed bestudeerd en geconcludeerd dat slavernij en het christendom inderdaad verenigbaar zijn. Zijn bedoelingen waren goed; hij wilde alle Afrikanen tot het christendom bekeren (hij ging in 1742 terug naar Afrika waar hij missionaris werd), maar verwachtte dat Nederlanders zich daar om economische redenen tegen zouden verzetten, omdat bekeerde slaven vrijgemaakt zouden moeten worden. Daarom verkondigde Capitein dat een christen slaaf kon zijn en zo verkoos hij het minste van twee kwaden: zijn mede-Afrikanen moesten gedurende hun aardse leven weliswaar lijden onder slavernij, maar daarmee wonnen ze eeuwig zielenheil. Ook niet-christelijke en zelfs klassieke bronnen zoals Aristoteles worden door Capitein gebruikt om slavernij te verdedigen. Maris laat Capitein de Middeleeuwse Vlaamse humanist Busbeke aanhalen om zijn argumenten voor slavernij kracht bij te zetten. Die schrijft: “Vrijheid zonder bezittingen is niet altijd bevorderlijk voor eerzame bezigheden. Niet iedereen is geboren met zelfbeheerseing en een zelfstandig oordeel over wat juist is. Zij hebben de steun nodig van het leiderschap en de heerschappij van hun meerderen.”

Jacobus Capitein

Capitein’s tegenstander, advocaat Locke die Virginia’s vrijheid eist, is gemodelleerd naar de Engelse filosoof John Locke (1632-1704). Vijftig jaar voor Capitein’s dissertatie verwierp Locke slavernij principieel, in zijn ‘Twee verhandelingen over de regeringsvorm’, dat hij schreef terwijl hij van 1683 tot 1689 als politiek vluchteling was ondergedoken in Amsterdam. Locke, wiens geschriften honderd jaar na dato als inspiratiebron dienden voor de Amerikaanse Declaration of Independence en Bill of Rights, betoogt in het toneelstuk van Maris juist dat slavernij en Christendom niet samengaan. Heeft God niet alle mensen gelijk geschapen? Ondertussen speelt bij hem een omgekeerde dubbelzinnigheid: John Locke verdiende aan zijn aandelen in de Royal African Company, monopolist van de Engelse slavenhandel, en hij schreef als secretaris in 1969 mee aan de Constitutie van Carolina, getiteld: ‘Elke vrije burger van Carolina heeft absolute macht en gezag over zijn negerslaven’. Het personage van slavin Virginia berust op de werkelijk bestaande, brutale Arubaanse slavin Virginia Dementricia (geboren in 1842), die in haar dagen voortdurend achter slot en grendel verdween wegens misdaden als ‘wegloperij en valse beschuldiging, gepaard met oneerbiedigheid’ en ‘straatrumoer en verzet tegen de politie’. Drie jaar voor de afschaffing van de slavernij werd deze Virginia voor 140 gulden verkocht aan een handelaar op Curacao, over haar leven daarna is niets bekend, maar ze begon wel een tweede leven als inspirerend onderdeel van het culturele erfgoed.

Het filosofische toneelstuk Wij verlangen onze vrijheid! gaat niet alleen over slavernij, maar ook over de geloofwaardigheid van recht en rechtspraak. Maris stelt de publieke rol van religie aan de orde, de verhouding tussen religie en staat, en de objectiviteit van academisch onderzoek. Een belangrijke actuele vraag die in dit boek behandeld wordt, is: moet de rechtsstaat neutraal zijn, of mag hij steunen op religieuze argumenten? De afscheidsrede past hiermee in de context van het eigentijdse filosofische debat over Publieke Rede. De Publieke Rede eist dat rechtspraak en wetgeving berusten op argumenten die voor alle redelijke burgers aanvaardbaar zijn – religieuze en levensbeschouwelijke argumenten vallen daarbuiten. Maar sluit je zo niet fundamentele morele waarheden uit? Het antwoord is er niet; als de argumenten van de hoofdpersonen de rechter niet tot een overtuigende beslissing brengen wordt de zaak overgelaten aan de jury: het publiek, de lezer van het boek.

Titel: Wij verlangen onze vrijheid, slavernij en publieke rede
Auteur: C.W. Maris
Uitgeverij: Duizend & Een