Recensie

What’s happening?

Door Jan Dietvorst, geplaatst op 18 februari 2016

whats happening kaft
Uitgeverij NAI010 werkt aan een elfdelige reeks over de wijze waarop in het tijdvak 1885 – 2015 de beeldende kunst werd gewaardeerd. Uitgangspunt zijn teksten die in openbare media over tentoonstellingen zijn gepubliceerd. Elk oorspronkelijk artikel wordt ter zake kundig ingeleid, daarbij heeft elk van de elf delen een inleiding waarin de kenmerken en eigenaardigheden van het gekozen tijdvak uitgebreid worden becommentarieerd. Onlangs verscheen What’s happening? / Neo-avant-garde en de Nederlandse kunstkritiek 1958 – 1975, samengesteld door Jonneke Jobse en Catrien Schreuder.

Voor hun keuze van juist dit tijdperk introduceren Jobse en Schreuder in de inleiding het begrip neo-avant-garde, een door Peter Bürger van de Frankfurter Schule gemunte aanduiding die tamelijk veel omvat en daarom nauwelijks onderscheidend is. Marxist Bürger beweert in zijn boek Theorie der Avantgarde dat alle naoorlogse kunst kapitalistische koopwaar is, maar voor de tentoonstellingen die in de stukken in What’s Happening? besproken worden is die constatering van geen belang. Neo-avant-garde blijkt volgens de samenstellers – kort samengevat – niet Cobra, niet de lyrische Franse abstractie, noch het post-cubisme en post-surrealisme van Jackson Pollock. Jonneke Jobse en Catrien Schreuder maken zonder duidelijke afbakening evengoed aannemelijk dat de kunst en de wijze waarop er in Nederlandse dag –en weekbladen over geschreven werd in het door hen behandelde tijdvak ingrijpend veranderde.

Neo begint met de Dada tentoonstelling in het Stedelijk Museum in 1958 en de opkomst van Marcel Duchamp waarvan de verstrekkende invloed in de komende tien jaren – overigens begrijpelijk – nog niet door de gezaghebbende criticus Cees Doelman in zijn stuk over Dada in de Nieuwe Rotterdamse Courant wordt opgemerkt. Over tenminste vijftien stukken die op dat van Doelman volgen is de geest van Duchamp’s anti-kunst vaardig. Besproken worden onder andere de tentoonstellingen Bewogen Beweging, Dylaby, Nieuwe Realisten, Nul en de doorbraak van de Amerikaanse Pop-Art op de Biënnale van Venetië in 1964. De introductie van ready mades en voorwerpen uit onze dagelijkse omgeving brengt veel kunstcritici merkbaar in de war, terwijl anderen juist in staat blijken de nieuwe sensibiliteit te herkennen en in hun teksten weer te geven. Sommige – zoals K.Schippers, Jan Eikelboom en Betty van Garrel – doen zelfs in de stijl van hun stukken mee aan de nieuwe bewegingen.

Persoonlijkheid, kennis en kunstliefde hebben de gebloemleesde schrijvers in What’s Happening? allemaal. Het zijn juist de verschillen die lezing van het boek zo boeiend maken. Misschien is de tegenstelling die tussen kunst als expressieve gevoelsuiting en kunst als feitelijke representatie van de werkelijkheid. De laatste is soms ironisch, absurd en zelf-kritisch, de eerstgenoemde onderdeel van een romantisch en zelfs mythisch idioom. Gaandeweg verdwijnt het begrip ‘spiritualiteit’ uit de recensies. Er staat zelfs als stereotype tijdsdocument een tekst in die leest als een reportage, Betty van Garrel’s overigens geestige stuk over Yajoi Kusama is geen recensie maar een vorm van participerende journalistiek; het wijst vooruit naar onze tijd waarin kunstkritiek soms op lifestyle & shopping lijkt.

Halverwege What’s happening? lijkt de strijd voor de acceptatie van de neo-avant-garde enigszins gestreden. Maar dan komen de samenstellers met teksten waarin de hedendaagse kunst met nieuwe namen als arte povera, concept art en land art andermaal moet worden veroverd. Je krijgt door de zorgvuldige inleidingen en de toegevoegde context in de voetnoten soms de indruk dat de polemiek zich midden op straat afspeelde; het aspect van bedrog dat aan hedendaagse beeldende kunst kleeft blijkt van alle tijden en plaatsen.

Nieuw in het tijdperk 1958 – 1975 is de opkomst van schrijvers die vaak als kunsthistoricus zijn opgeleid en voor wie hedendaagse kunst (alle) een vanzelfsprekendheid is. Bij Rudi Fuchs’ formele beschrijvingen van kunstwerken en de overwegingen van hun totstandkoming is de notie van een buitenwereld nagenoeg afwezig. Carel Blotkamp beheerst dezelfde vaardigheid maar bij hem beseft de lezer dat de tempel van de kunst als slechts één van de culturele instituties een onderdeel van een dynamische omgeving is. Cor Blok’s benadering is die van een fenomenologie van de kunst; het denken dat aan de kunstproductie ten grondslag ligt blijkt vaak even evident als de dagelijkse overwegingen van al het gedrag dat menselijk is. Hij neemt als het ware de rol van leraar op zich en doet dat met veel stilistisch vernuft.

Op deze site staat uit dezelfde reeks ook een bespreking van het al evenzeer lezenswaardige Kunstkritiek als exact vak? / De kunsthistoricus als criticus 1960 – 2005, samengesteld door Rogier Schumacher.