Nieuwe uitgave

Thérèse Schwartze, Painting for a Living

Redactie, geplaatst op 23 juli 2017


De Amsterdamse kunstenares Therese Schwartze (1851-1918) was tijdens haar leven een gevierd portrettiste, die de negentiende-eeuwse beau monde en het koningshuis met on-Nederlandse allure in beeld bracht en daar miljoenen mee verdiende. Ze koppelde een groot talent en technische vaardigheid aan een buitengewoon zakelijk inzicht. Ook internationaal vestigde zij haar reputatie met talloze tentoonstellingen en opdrachten in heel Europa en de Verenigde Staten.

Onlangs verscheen de eerste Engelstalige monografie over Thérèse Schwartze, geschreven en uitgegeven door Cora Hollema. Thérèse Schwartze, Painting for a Living vertelt het verhaal van de harde leerschool van een talentvol meisje bij haar ambitieuze Amerikaanse vader, de drive en het zakelijk talent van haar migrantenachtergrond, haar artistieke ontwikkeling en technisch raffinement, de internationale roem en haar miljoenenvermogen. Van de jaloezie en verbijstering die zij opriep. Het verhaal van een bijzondere persoonlijkheid en een kosmopolitische carrière.

Meer informatie over de uitgave is te vinden op www.thereseschwartze.com, de uitgave is in Nederland te bestellen via www.athenaeum.nl.

Recensie

Midden in een jazztijd

Door Guus Bauer, geplaatst op 21 juli 2017


Een enorme verkoop, het omarmen door het publiek in een bepaald taalgebied, is geen garantie voor instant succes wereldwijd. De Deense schrijver, essayist en journalist Knud Sønderby (1909 – 1966) debuteerde op zijn tweeëntwintigste met de roman Midden in een jazztijd, een schets van de hoop en de angsten van de jeugd van de jaren dertig. Het boek belandde al snel in de Deense canon en wordt tot op de dag van vandaag herdrukt. De zojuist verschenen Nederlandse editie is de eerste vertaling van dit standaardwerk.

Eind jaren twintig, begin jaren dertig. Een roerige, ‘feestelijke’ tijd bij uitstek. Geen naoorlogse bezinning. Men wil de ellende, de morele knauw vooral wegdansen en wegdrinken. Peter Hasvig studeert rechten, niet zozeer omdat hij zich geestelijk wil verrijken, maar eerder om de vrouw van zijn keuze later als advocaat een zekere status en bij haar afkomst passende welstand te kunnen bieden. Het is de ambivalente tijd van de jongeling, op de tweesprong van het leven.

De hang naar de zorgeloosheid van de kindertijd, de valse nostalgie, de tijd met de overzichtelijke verwachtingen, de bekende wereld. En tegelijkertijd de verwachting van een heel nieuw leven, de wijde wereld, het onbekende, de zo innig gewenste onafhankelijkheid, de volwassenheid. Maar, mede door de achterliggende gedoemde tijd, ook de angst het leven te vergooien. Het leven dat zich afspeelt in de tijd dat je grootse plannen maakt. Peter is arm, maar houdt zich groots, zeker ten opzichte van het mooie rijkeluiskind Vera Bagge.

Sønderby verhuisde – aldus het verhelderende voorwoord van de Deense grootheid Jens Christiaan Grøndahl – op jonge leeftijd van de westkust van Denemarken naar een mondaine voorstad van Kopenhagen. Hij studeerde rechten, maar begon al tijdens zijn studie met schrijven. Zijn ster steeg snel onder het jonge publiek, dat in hem een vertolker van de ware tijdgeest zag. Geen opbouwende en puur toekomstgerichte literatuur, maar iemand die de pijnpunten wist aan te stippen. Al snel werd hij vergeleken met F. Scott Fitzgerald. En daar valt inderdaad iets voor te zeggen.

Sønderby is in die zin een geboren schrijver, iemand die direct al zijn stem gevonden had. Dit debuut kabbelt ogenschijnlijk rustig voort. De protagonisten wandelen wat, drinken her en daar een glaasje, soms iets te veel. Er wordt een reis gemaakt. De beide geslachten cirkelen om elkaar heen, af en toe is er interactie. Onwennig, geplaagd, oprecht of voor de show. Het motto wie niet waagt, niet wint, is aan hen eigenlijk nog niet besteed. Men is bang voor de eigen gevoelens, bang teleurgesteld te raken. De tijd waarin je liever zekerheid van jezelf acteert. Een meesttijds dodelijk scepticisme dat van alle tijden is. Dat verklaart waarschijnlijk het doorlopende succes.

Sønderby heeft het met veel zelfkennis opgetekend, met een voor zijn leeftijd opmerkelijk helder inzicht. Er sijpelt door de tekst een subtiele melancholie, de ondraaglijke lichtheid van het bestaan zogezegd. Men verkeert in een pose van lethargie, maar ondertussen bruist het van verwachting. Van te hoge verwachtingen soms. Het alles of niets dat nog tijd nodig heeft om genivelleerd te worden.

De jonge schrijver is een uitstekende observator. Hij is – de woorden van Grøndahl – een discreet schrijver. Hij heeft inderdaad door zijn ogenschijnlijke nonchalante stijl iets terughoudends. Maar het is duidelijk dat de schrijver midden in deze tijd heeft gestaan. (Jazz, Rock, Punk, New Wave, Dance etc. Geef de geest maar een naam.) De tekst is gedetailleerd, lichtjes uitgesponnen, maar houdt toch afstand. En dat zorgt voor een zekere tederheid. In het algemeen en ten opzichte van de personages.

Het lijkt alsof Sønderby al op zeer jonge leeftijd de kracht van de beperking heeft geweten, of instinctief heeft aangevoeld. Met een enkele bijzin, geeft hij betekenis, laat de woorden net iets kantelen.

De zon was inmiddels bij zijn linkerbeen beland, dus het moest elf uur zijn.

Af en toe is er een vleugje sarcasme. De roman is heel lichamelijk. Begrijpelijk, want over een jeugdig lichaam kun je nog tevreden zijn. Het is dat onbetrouwbare brein dat voor alle problemen zorgt. Sommigen melden zich aan bij een roeiclub, om in elk geval niet hun fysiek te laten verslappen, maar komen er daar juist achter dat hun ziel nog slapper is dan hun spieren. Een belangrijke testcase voor een tekst is, of het gebruik van een droom, de lezer niet vervreemdt. Sønderby kleedt de droom aan in de realiteit, maakt er optimaal gebruik van.

Een jonge vrouw brengt voor de spiegel haar kapsel in orde. Maar de beschrijving heeft universele waarde, is heel nauwgezet en eigenlijk op alle vrouwen van toepassing. Het zijn dit soort kleine, maar o zo delicate scènes die deze roman op het schild tillen.

Er gebeuren dingen in mensen die niet te beschrijven zijn. Er gebeuren dingen in jouzelf die je nooit zal kunnen begrijpen. Waarom zou je dan tasten en zoeken? […] binnen in je zijn stemmingen en emoties, die je niet eens in gedachten kunt omzetten.

En juist daar slaagt deze schrijver in, om het onbestemde bij de kladden te grijpen, al is het maar voor even, vluchtig, met een paar hints, met een paar scènes. Verfrissend, van alle tijden.

En dan, wanneer Peter, inmiddels uit de kliek van de feestende jongelingen gevallen toen tijdens het reisje naar Zweden bleek dat hij armlastig was, komt hij zijn ‘oude’ liefde Ellen wederom tegen. Ze zegt dat ze gaat trouwen, met een handelsreiziger met geld. (Peter denkt even instinctmatig aan de uithuizigheid van die man.) Terwijl ze zich liever zou binden met een echte geliefde. Een moment van twijfel, prachtig balancerend. Na afloop van de plechtigheid trekt hij zich terug in de roeiclub. Van frustratie bijt hij zich tot bloedens toe in zijn arm. In feite bijt hij daar van zich af en start het echte leven.

Midden in een jazztijd van Knud Sønderby verscheen bij  Uitgeverij Oevers.

Recensie

Kunstkritiek in Nederland, deel 11

Door Jan Dietvorst, geplaatst op 19 juli 2017


Wegwijzers in oude en moderne kunst
is het elfde en laatste deel dat in de monumentale reeks Kunstkritiek in Nederland 1885 –  2015 bij uitgeverij NAI010 is verschenen. De opzet is steeds om met een bloemlezing van teksten uit kranten en tijdschriften een bepaald tijdvak, artistieke stroming of een ontwikkelingsgang van de beeldende kunst vanaf 1885 weer te geven en te becommentariëren. Peter de Ruiter – met Jonneke Jobse de initiatiefnemer van de reeks – maakte deel 11 over de kunstkritiek van Jan Engelman, Jos de Gruyter, Kaspar Niehaus en A.M. (Bram) Hammacher.

Wat hen verbond schrijft De Ruiter in zijn uitstekende inleiding is het besef deel uit te maken van een generatie die getuige was van een wereld in chaos en ontwrichting ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog. In de eerste stukken in het boek proberen de critici de beginselen van (hun) kunstkritiek te formuleren; De Ruiter heeft zijn inleiding de titel ‘Wegwijzen, oordelen en partij kiezen’ gegeven. Opmerkelijk is dat drie van de vier als schilder of schrijver ambities hadden, hun programmatische teksten lezen als een geloofsbelijdenis, een kenmerk dat overigens in alle teksten in het boek, onafhankelijk van het onderwerp: oude kunst/moderne kunst, pro/contra – lijkt terug te komen.

Cézanne, Rembrandt, Renoir, Mattijs Maris, Maillol, Rodin; het zijn niet de kunstenaars waarop wij in het tijdvak dat deze stukken bestrijkt (1918 – 1965) vooral terugkijken. Er zijn geen kritieken over DADA, surrealisme, Mondriaan, Bauhaus of het Expressionisme. Het Interbellum brandde en schitterde voor hen op een andere wijze dan voor de degenen die na 1945 geboren zijn. De afstand zit al evenzeer in de wijze van uitdrukken. De meeste van deze stukken verschenen in dagbladen, maar citaten in het Frans werden niet voor de lezer vertaald. Engelman, De Gruyter, Niehaus en Hammacher schrijfwijze zouden wij tegenwoordig dichterlijk, literair en essayistisch of filosofisch noemen. Hammacher gebruikt in een stuk over Renoir de uitdrukking: goddelijke verdichtingen van het levensbeeld’. Hij legt het verder niet aan zijn lezers uit, de indruk bestaat dat zij zich namelijk met evenveel gemak bedienden van woorden als ‘ ziel’ en ‘ wezen’ en daar anders dan wij zich iets zeer concreets bij voorstelden.

Deze teksten vragen met andere woorden om aandachtige en zorgvuldige lezers. Ondanks de afstand in tijd en stijl wordt het eens te meer duidelijk dat kunst bevlogen explicateurs en ware gelovigen nodig heeft.

Peter de Ruiter. Wegwijzers in oude en moderne kunst/ Kunstkritieken van Niehaus, Hammacher, De Gruyter, Engelman 1918 -1965, uitgegeven door nai010 uitgevers.

Op 15 september vindt in het Rijksmuseum het Symposium Kunstkritiek in Nederland plaats. Met o.a. Catrien Schreuder, Mieke Rijnders, Sven Lütticken, Rogier Schumacher, Peter de Ruiter. Jonneke Jobse,  Fieke Konijn, Arnold Heumakers en Anne Ruygt.

Nieuwe uitgave

De allerlaatste Tortuca

Redactie, geplaatst op 16 juli 2017


Na twintig jaar houdt Tortuca ermee op. Door een gebrek aan tijd en mankracht is het voor de redactie niet meer mogelijk om twee keer per jaar een kwalitatief hoogstaande uitgave te verzorgen. Tortuca neemt afscheid met een extra dikke editie én met een wel heel bijzondere special.

Tortuca #39
Veel vertalers die de afgelopen jaren aan Tortuca hebben bijgedragen, ziet u in #39 nog eenmaal terug: Maarten Elzinga, Nicolette Hoekmeijer, Mia Martin, Jan H. Mysjkin, Melani Reumers, Bart Vonck en Menno Wieringa. Maar ook een nieuwe naam als Anna Visser die een mooie vertaling maakte van een bijzonder verhaal van Walter Tevis, bij ons vooral bekend door de verfilming van zijn roman ‘The man who fell to earth’, met David Bowie in de rol van ‘alien’.
De beeldend kunstenaars in dit nummer zijn, gewoontegetrouw, nieuwe namen: Erik Mattijssen, Rozemarijn Westerink en het duo Arja Hop/Peter Svenson. Met tussendoor werk van Toon Van Borm en Alain Valet.

Special
De special vormt een integrale uitgave van ‘De druiven van Zeuxis’ van de in 2016 overleden Franse dichter Yves Bonnefoy, schitterend vertaald door Jan H. Mysjkin. In Tortuca #33 plaatsten we al het eerste deel. Een bijdrage die we zo mooi en in zijn combinatie van poëzie en beeldende kunst zo Tortucaans vonden dat we nu graag de hele reeks publiceren, bij wijze van afscheid.

Meer informatie over Tortuca en alle eerdere delen is te vinden op www.tortuca.com.