Recensie

Evidence

Door Peter Delpeut, geplaatst op 2 december 2017


Het heeft me enig denkwerk gekost om te besluiten wat voor publicatie Evidence is. In het colofon lees ik dat concept, foto’s en montage van Jan Dietvorst en Roy Villevoye zijn. Het boek verschijnt, zo lees ik ook, ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling afgelopen voorjaar in Argos, centrum voor kunst en media in Brussel. Is het dus een catalogus? Niet echt. Het grootste deel van het boek wordt in beslag genomen door foto’s waarin ik soms werk van Villevoye en Dietvorst herken, maar geenszins een overzicht van de getoonde werken. Achterin de uitgave staan artikelen van curator Andrea Cinel en filmmaakster An van. Dienderen, die ingaan op de methode van de kunstenaars, maar ook zij geven geen inzicht in inrichting en concept van de tentoonstelling. Is het dan een anti-catalogus? Daar lijken de artikelen me te serieus en theoretisch voor. Wilden de kunstenaars dan alleen maar een ‘bewijs’ dat hun tentoonstelling heeft plaatsgevonden? Want dat is een belangrijke, veelal onuitgesproken reden voor een catalogus: het nageslacht eraan herinneren dat drie maanden lang werk van Dietvorst/Villevoye in Brussel te zien is geweest. Maar wat was er dan te zien? Dat valt terug te lezen in een voetnoot (!) bij het artikel van Cinel: elf titels met jaartal zonder verdere uitleg – als bewijs een beetje mager.

Nu ik het boek een week in huis heb, heb ik besloten dat de oplossing eenvoudiger is. Voor mij is Evidence twee boeken. Het eerste foto-deel is een nieuw kunstenaarsboek van Dietvorst/Villevoye, een prachtig werk dat naast hun filmwerk en installaties een eigen statuur verdient. De twee artikelen vormen tezamen een tweede boek(je). Het zijn kunsttheoretische beschouwingen, teksten die je in een ‘klassieke’ catalogus zou kunnen tegenkomen en die – wat mij betreft – uitnodigen tot polemiek.

Wie Evidence ter hand neemt doet er dan ook goed aan het idee catalogus uit zijn hoofd te zetten, al heeft de titel wel een aangename dubbelzinnigheid: het lijkt er in ieder geval op dat de makers ons willen zeggen dat hun werk zich niet leent voor catalogisering. Of sterker, dat ze zich er niet aan willen onderwerpen. En als ze dan toch een bewijs van hun tentoonstelling moeten afgeven (aan subsidiegevers of aan bezoekers die een herinnering willen koesteren), dan liefst zo dun mogelijk. Het interessante is natuurlijk dat we daarmee meteen midden in het werk van Dietvorst/Villevoye zitten, want als iets ze als kunstenaar niet bevalt, dan zijn het wel de wetten van de causaliteit, de vertoningen van wetenschappelijke schijn en de al te gemakkelijke dichotomieën waar dat toe leidt, zoals zwart versus wit, koloniaal versus anti-koloniaal, geschiedenis versus heden, oorlog versus vrede, beschaving versus wildernis, vriendschap versus… ja, versus wat eigenlijk?

Het lijkt me eerst zaak Evidence als kunstwerk serieus te nemen. Daarvoor moet je het doorbladeren, de foto’s bekijken, terugbladeren, proberen te achterhalen wat de volgorde je aanreikt, erin meegaan, je ertegen verzetten, je verwonderen en afvragen, de foto’s proberen te lezen. Dat is een individueel traject, waar de museumzaal niet altijd de rust en de ruimte voor geeft, maar nu thuis op de bank kan worden genoten. Wie dus een werk van Dietvorst/Villevoye wil bezitten, kan dat nu voor het luttele bedrag van 15 euro aanschaffen. De oplage is weliswaar 700, maar het is nog altijd een echte Dietvorst/Villevoye.

Wie een kunstwerk verwart met mooie glossy foto’s zal teleurgesteld zijn. De kunst van Evidence (de uitgave!) bestaat eruit de ruimtes tussen de foto’s te lezen. Daar ligt niet meteen een helder, eenduidig verhaal. Eerder mysterieus en ongewis. Niet als een puzzel die moet worden opgelost, maar als een puzzel die in zichzelf steeds oplost en volgens een onbekend alchemistisch recept daarna weer materialiseert om gelijktijdig voor je ogen weg te smelten.

Dat klinkt dikdoenerig besef ik en het staat ook haaks op de aangename reportagetoon van de foto’s. Alles in deze afbeeldingen is transparant: de mensen, de dingen, de landschappen. Geen lichteffecten, geen claire-obscur. Kiekjes, kleine bewijsjes dat de makers iets gezien hebben en vooral niet dat ze ‘kunst’ van hun foto’s hebben gemaakt. Tegelijkertijd is het gevaarlijk ze te beschrijven. Je moet dan woorden als Asmat gebruiken, Papoea Nieuw Guinea, jungle, vuistbijlen, stalen helmen, zwarte huid, blanke huid, camouflagedoeken, Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue, helikopter, zwerver, bivak, vlag, kruisbeeld, voorouderbeelden, museum – woorden die stuk voor stuk beladen zijn, zo niet overladen met betekenissen en ideologieën. Woorden ook die nauwelijks nog schoon te schrapen zijn. En toch is het dat wat er in dit boek gebeurt. Dat heeft met het ontbreken van hiërarchie te maken, de vrijzinnigheid van de nevenschikking.

Is er dan geen verhaal? Nee, er is geen verhaal in de klassieke zin, maar dat neemt niet weg dat er wel een weg lijkt uitgestippeld. Wat mij hielp was om het woord ‘diorama’ als leidraad te nemen, de uitstalkasten van ‘levensechte dieren en mensen’ waar musea van natuurlijke historie nog altijd dol op zijn en tot voor kort ook koloniale musea. Er is alle reden toe om met het idee van diorama een reis door het boek te beginnen. Op het omslag prijkt een foto van zo’n diorama, een levensgrote maquette van twee pre-mensen, tentoongesteld in een kijkkast waarin het achterdoek een droge savanne toont. Dit zijn onze voorouders die hun sporen in het zand achterlaten. Je kan ze gedeeltelijk nog aap noemen en gedeeltelijk mens. Dubbelzinnige wezens dus, die rechtop lopen en hersenen hebben ontwikkeld die kunnen nadenken over gereedschappen. Het is ook een fantasiebeeld, want niemand weet hoe ze er echt hebben uitgezien. Ze zijn gereconstrueerd uit teruggevonden botten en aangekleed als apen. Zonder verbeelding geen wetenschap.

Laat je dat woord toe, dan lijkt elke foto die volgt een diorama. Je treedt een wereld van wassenbeelden binnen. Wie van vlees is en wie is opgezet, helemaal duidelijk is het nooit. De wereld als een kijkkast presenteren, het is een aangenaam speelse inzet om die grote woorden op hun plaats te zetten. Ga dan nog eens naar de Asmat en even later naar een museum in Parijs of New York, loop naar buiten en bekijk een clochard, of je eigen dochter, of je vrouw die de lange gebeeldhouwde haren van Maria Magdalena bewondert – niet alleen het exotische presenteert zich als diorama, ook het dagelijkse, zoals de stenen stoepjes in Birkenau en Auschwitz.

Een diorama is een vreemde mengeling van wassenbeeldenrealisme, theatraliteit en banaal display. Maar ook moeilijk om serieus te nemen, een poppenhuis voor grote mensen.

In het bijgeleverde boekje proberen Cinel en Van. Dienderen te achterhalen hoe het mogelijk is dat Dietvorst/Villevoy dit soort trajecten weten uit te zetten, zonder in de val van de klassieke documentaire te lopen of het klassieke museale vertoog. Ze vragen zich af hoe het speelgoed in elkaar zit en peuteren het liefdevol uit elkaar.

Cinel vergelijkt de methode van Dietvorst/Villevoye met die van de Duitse kunsthistoricus Aby Warburg. Warburg experimenteerde inderdaad eveneens met de nevenschikking van plaatjes, maar niet om die te ontdoen van hiërarchie. Zijn inzet was wetenschappelijk, hij zocht een genealogie van beelden, wilde weten waar ze vandaan kwamen, wat de verborgen ‘voorouders’ ervan waren. Zijn inzet was wetenschappelijk en hoe vrijzinnig hij ook te werk ging, hij zocht de analyse, het ontsluieren van het mysterie. Dietvorst/Villevoye bedrijven kunst en de inzet daarvan lijkt me niet het mysterie te ontsluieren, maar om het te bewaren, te verrijken, compliceren, de ongrijpbaarheid ervan te vieren.

Ook Van. Dienderen zoekt naar de methode van Dietvorst/Villevoye, de sleutel voor hun manier van monteren, die niet de regels van de klassieke verhalende montage volgt. Door de klassieke hiërarchie te vermijden, bevrijden ze hun beelden en scènes inderdaad uit het keurslijf van de narratieve dwang. Van. Dienderen benoemt dat met het woord messiness, slordigheid. Weliswaar beseft ze dat het om schijnbare, gewilde slordigheid gaat, maar toch lijkt me ook het gebruik van dat woord niet gelukkig. Slordig plaatst hun werk nog altijd in een dichotomie met de narratieve film. Dietvorst/Villevoye proberen zich juist daarbuiten te plaatsen. Ze zijn niet slordig, maar monumentaal. Ze bouwen hun films, evenals hun boek Evidence, als beeldhouwwerken – wat zich ook toont in de prachtige binding van dit kleinood. De causaliteit van hun beelden is niet lineair, maar ruimtelijk. Ook hun films zijn diorama’s.

Evidence, omvang 172 pagina’s, formaat 15 x 20 cm, genaaid, Zwitsers gebonden, oplage 700 exemplaren. Een uitgave van Argos en Jap Sam Books, met steun van het Mondriaanfonds.