Geen categorie

Geloofwaardig

Door Guus Bauer, geplaatst op 11 maart 2014

guus_bauer_-_copyright_janus_van_den_eijnden

‘Wat vindt u nu van die Dautzenberg?’ vroeg een dame, type Samaritaan, afgelopen week tijdens een (christelijk) literair avondje uit. ‘Verschrikkelijk toch, hoe hij misbruik maakt van de goedgelovigheid.’ Uw inktslaaf dacht een moment aan wijlen de schrijver van schoolmethodes over literatuur, maar waarschijnlijk bedoelde ze de nierspecialist. Ach, uw inktslaaf houdt wel van het verkeerde been. Een beetje reuring kan geen kwaad. Prettige bijvangst: al die commotie leidt natuurlijk wel mooi af van de inhoud.

Erg opzienbarend is het allemaal niet. De zon en daaronder weinig nieuws. Praatprogramma’s moeten worden gevuld. De schrijver is het aan zijn of haar stand verplicht om de op waargebeurde verhalen beluste redactionele blindgangers in het ootje te nemen. Fabuleren is de kerntaak van de schrijver. Het is wel bevreemdend dat het publiek de ironie daarvan bij sommige schrijvers wel doorziet, met een zekere vertedering zelfs, terwijl anderen er snoeihard op worden afgerekend: pseudologica fantastica.

Bestaan ‘echte verhalen’ wel? Denk aan het bekende experiment waarbij dertig deelnemers een korte anekdote aan elkaar door moeten vertellen, op fluistertoon van de een naar de ander. Het eindresultaat heeft vrijwel zonder uitzondering nog maar weinig van doen met de oorspronkelijke weergave van een gebeurtenis. Zoveel zielen, zoveel waarheden.

Een beetje schrijver kent ze wel: de personen die zich menen te herkennen in een bepaalde tekst maar luidkeels verkondigen dat ‘Het Zó Beslist Niet Is Gegaan’. Het heeft niet veel zin dat je aan die mensen probeert uit te leggen dat een tekst niets anders is dan een mozaïek, een gelogen waarheid, zo men wil. Een schrijver zit op een terrasje en ziet iemand een bepaald handgebaar maken. Een beweging die precies in een bepaalde scene past die een paar maanden eerder is opgepikt. Literatuur is het samenstellen van ervaringen, het aanboren van je eigen kern zogezegd.

Uw inktslaaf is op de school waar hij ooit edelconciërge was, belaagd door een lerares handarbeid omdat ze zich meende te herkennen in een communistische koorleidster met hobbezakjurk en snor. Toen hij bij hoog en bij laag zweerde dat de desbetreffende passage al tien jaar eerder was ontstaan, hetgeen niet helemaal conform, ha, de werkelijkheid was, droop ze af. Toch teleurgesteld welteverstaan.

Ja, het is lastig om de medemens tevreden te stellen. Was het niet misdaadverslaggever en, ahum, nu ja vooruit, non-fictieschrijver Peter R. de Vries die we een paar jaar geleden konden betrappen op de onnavolgbare opmerking: ‘Ik lees geen fictie want die vind ik niet geloofwaardig.’ Wel alle hulde natuurlijk voor de wijze waarop deze spoorzoeker in moeilijke zaken de onderste steen boven heeft weten te krijgen. Aan zijn doorzettingsvermogen kan menig (aspirant)schrijver een voorbeeld nemen. Zijn literatuurbeleving is op z’n zachtst gezegd twijfelachtig.

De kapper op de hoek leest alleen waargebeurde verhalen. Wanneer je hem vraagt wat hij daarmee bedoelt, is het antwoord zo onduidelijk dat het hier niet zo een-twee-drie te reproduceren is. Het is in elk geval niet zo dat hij veel wetenschappelijk werk of non-fictie leest. Mensen zijn nieuwsgierig en kijken verlekkerd in andermans keuken, of in het geval van de eersteklas coiffeur in de slaapkamer van de Bekende Mensen. Waar komt die, om in het jargon van Tweede Kamercommissies te spreken, drang naar waarheidsvinding vandaan? Zou men in deze ‘echte verhalen’ op zoek kunnen zijn naar een spiegel, een leermoment? Hoe heeft deze of gene, toevallig bekend van de flatscreen, het er vanaf gebracht? Het is waarschijnlijk tekenend dat vooral boeken over carrières die volledig in de soep zijn gelopen het meeste aandacht genereren. Stiekem verkneukelt men zich nu eenmaal graag.

De Zwitser Charles Lewinsky, naast schrijver ook decennialang scenarist voor de misdaadserie Tatort: ‘Niet voor niets bestaat het decor van deze krimi vaak uit grote landhuizen en zijn de daders afkomstig uit de hoogste klassen. Op die manier stel je de zogenaamde “gewone man” tevreden. Kijk, zij zijn ook niet perfect. Het zijn ook maar mensen. We hoeven helemaal niet jaloers op ze te zijn.’ Handig in tijden van crisis.

De sterk in de belangstelling staande autobiografische roman herbergt als je het wel bekijkt alleen al in de kwalificatie een enorme tegenstelling. Marketingafdelingen apen elkaars succes na. ‘Echte verhalen’ doen het goed, vooral op tv. Denk maar eens aan de jonge schrijver Mano Bouzamour die De belofte van Pisa schreef, een roman over een Marokkaanse jongen wiens broer in de zware criminaliteit zit, wiens zussen bij de kassa van de super werken en die alleen maar hangjongeren als vrienden heeft.

De hoofdpersoon is echter vastbesloten om het VWO af te ronden en is zeer gecharmeerd van klassieke muziek. Voer voor autochtonen: een jonge bruggenbouwer, een succesvol lid van een kwakkelende minderheid. Bij Pauw en Witteman werd dit verhaal, incluis een afbeelding van een dichtgetimmerd pand in de beruchte Amsterdamse Diamantbuurt, als het ‘echte verhaal’ van de schrijver gepresenteerd, terwijl hij elders opgroeide in een stabiel gezin en met moeite de HAVO afrondde.

Het leverde de schrijver een stroom aan protesten op uit eigen hoek. Hij zou zijn afkomst hebben bezoedeld. Een stramien dat vast ook wel herkenbaar is voor Özkan Akyol, die op zijn debuut Eus, een roman, een enorme hoeveelheid negatieve reacties uit de Turkse gemeenschap kreeg. Naar eigen zeggen dan. Waarom ook niet inspelen op deze merkwaardige trend, de boekverkoop zal het niet schaden. Literatuur is per definitie uitvergroten. Houdt de loep er maar eens letterlijk boven. Stookten wij vroeger zo niet fikkie?