Recensie

Vestdijk in Doorn

Door Marinus Elling, geplaatst op 30 september 2013

kaft-Doornbundel-B

Het dorp Doorn was voor ons, bewoners van een arbeiderswijk in Utrecht-Oost, het paradijs. Luxe, calme et volupté. Luxe: een villa-tje met tuin op de Utrechtse Heuvelrug, dat was de droom van de stadse neringdoende middenstand – misschien, later, als de tijden gunstig bleven, als de zaken goed bleven gaan, met Gods hulp.

Calme: een fietsbel van ver gehoord, de vinkenslag en de alarmroep van de merel, en misschien zelfs een nachtegaal (maar dan waren wij alweer met de bus naar huis). Volupté: het dikke tapijt van beukennootjes in de lanen, volle bolle beukennootjes, voor het oprapen, genoeg voor zakkenvol mee naar huis waar ze gepeld werden en gebakken in de koekenpan, met een stukje boter wellicht, echte boter voor deze superieure beukennootjes.

Later, toen wij op de fiets kwamen, plukten wij er hanenkammen, kilo’s prachtige stevige hanenkammen. Het bos zag er geel van. In dit paradijs woonde en werkte Simon Vestdijk. Het is in het algemeen de vloek van paradijzen dat hun charme niet standhoudt voor wie er dagelijks in verkeren. In zijn Doornse verhalen rept Vestdijk dan ook niet van hanenkammen of beukennootjes. Maar charme is er voor hem gebleven, charme van een verontrustender soort, betovering door ons niet onvoorwaardelijk gunstig gezinde machten.

Wie of wat betovert het meisje dat, alleen in het grote huis met haar grootvader, zich zodanig verliest in de beschouwing van de ijsbloemen op de ramen dat zij kleiner en kleiner wordt en tenslotte in deze toverwereld wordt opgenomen? Welke macht maakt zich meester van het jonge paartje dat het verlaten prieel binnendringt en daar verdwijnt maar terugkomt – zoiets moet het wel zijn – als een schaar gezonde kabouters die in de tijd van één winter opgroeit tot flinke kinderen, een aanwinst voor de dorpsgemeenschap?

Wat is dat voor een sanatorium waarvan de patiënten ’s nachts met lampionnen optochten houden in het bos? En dan het mysterieuze verhaal van de weg die er maar niet in slaagt zichzelf te ontmoeten.

Psychologisch-realistischer is het verhaal ‘Drie Vaders’, tenminste op het eerste gezicht. Het is het langste verhaal, het rijkst aan motieven waarvan het onderscheid tussen twee kunstenaarstypen, twee levensvisies zelfs, er een is.

Het nauwst verbonden met Doorn, en met Vestdijks biografie, is de beschouwing over Doorn als het dorp van Donar, de Germaanse dondergod en dientengevolge van de laatste Duitse keizer die daar zijn levensavond doorbracht, wat het dorp en zijn inwoners tijdens de Duitse bezetting tot heil strekte, een grappig en instructief verhaal.

De bundel begint met twee gedichten, een over de boerderij waar Napoleon nog zou hebben verbleven en het tweede een ontroerende overpeinzing Feuilles mortes dat begint met de prachtige regel

Een snik tot glimlach omgelogen …

Het zou het motto voor deze bundel kunnen zijn.

Simon Vestdijk

In het Nawoord verheldert Vestdijks weduwe en toegewijde uitgeefster Mieke Vestdijk verbanden tussen Vestdijks leven en de hier, soms voor het eerst, gepubliceerde verhalen.

Titel: Doornse verhalen
Auteur: Simon Vestdijk
Uitgever: Mieke Vestdijk